Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 5 Griekse bezwaren tegen de opstanding

Addendum: 2. Griekse bezwaren tegen de opstanding

Evangelistar von Speyer, um 1220 Manuscript in...

Evangelistar von Speyer, um 1220 Manuscript in the Badische Landesbibliothek, Karlsruhe, Germany Cod. Bruchsal 1, Bl. 1v Shows Christ in vesica shape surrounded by the “animal” symbols of the four evangelists. (Photo credit: Wikipedia)

Omdat de leer van de onsterfelijkheid van de ziel niet meteen van het allereerste begin in het Christendom is doorgedrongen, vinden wij er weinig over in het NT. Toch zijn er wel enkele aanwijzingen. Voor de Grieken die de dood zagen als een bevrij­ding van de ziel uit de gevangenis van het lichaam, was een leer die lichamelijke opstanding verkondigde uiteraard het toppunt van dwaasheid. De apostel Paulus werd in Athene dan ook weggehoond toen hij daar­over sprak:

“Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen, maar anderen zeiden:

Wijzullen u hier­over nog weleens horen” (Hand. 17: 32).

In de gemeente te Korinte kwam het zover dat de opstanding zelfs door sommige gelo­vigen werd ontkend:

“Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe ko­men sommigen onder u ertoe te zeg­gen, dat er geen opstanding der doden is?” (1 Kor. 15:12).

En Paulus moest al zijn gezag als apostel in de strijd werpen om aan te tonen dat wij zonder opstanding niets te wachten hebben en ‘de beklagenswaardigste van alle men­sen’ zouden zijn (zie boven). Anderen pro­beerden de opstanding te vergeestelijken en de betekenis ervan te beperken tot een ervaring in dit leven:

“Tot hen behoren Hymaneüs en Filetus, die uit het spoor der waarheid geraakt zijn met hun bewering, dat de opstan­ding reeds heeft plaatsgehad, waardoor zij het geloof van sommigen afbreken” (2 Tim. 2:17-18).

De opstanding vormt een onlosmakelijk deel van de Bijbelse leer, omdat het de enige hoop op leven is.

+

Voorgaande:

De Falende mens #2 Vrije keuze

Een goddelijk Plan #4 Beloften

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 2 Scheiding van God

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 3 Lichamelijke opstanding

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 4 De ziel – een Grieks beeld

++

Aanvullende lectuur

  1. Woorden in de Bijbel Vinden en Begrijpen
  2. Leven gedefinieerd door de dood
  3. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  4. Lichaam en ziel één
  5. Keuze van levende zielen tot de dood
  6. De hoop op leven

+++

Geplaatst in Christendom, Geschiedenis, Levensvragen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 4 De ziel – een Grieks beeld

Addendum: 1. de ziel – een Grieks beeld

Maar hoe zit dat met de hedendaagse gelovigen? Veruit de meeste christenen geloven dat de mens bestaat uit een lichaam en een ziel, waarbij de ziel de werkelijke essentie van de mens vertegenwoordigt. Bij de dood zou wel het lichaam sterven, maar de ziel zou blijven voortbestaan, want die is goddelijk. Eventueel kan de ziel bij de opstanding worden verenigd met een nieuw lichaam, maar voor de gemiddelde christen is dit geen conditio sine qua non (noodzakelijke voorwaarde) voor zijn eeuwig voortbestaan. Waar komt deze opvatting vandaan?

 

René Descartes mag dan wel een uitgesproken rationalist geweest zijn, maar hij verwierp het geloof niet.

Voor de oorsprong van deze opvatting moeten we naar de Grieken. De Griekse filosofen dachten hun wereld verdeeld in geest en materie. Daarvan was de geest superieur en de materie van ondergeschikt belang. Hun vaak tot in onze dagen geldende op­vattingen waren dan ook uitsluitend het product van denkwerk. Ook voor hun natuurwetenschappelijke ideeën zochten zij geen experimenteel bewijs, omdat experimenten met materie van doen zouden heb­ben gehad en dus wel ondergeschikt moesten zijn aan logisch denkwerk. De praktijk van het wetenschappelijk experiment is pas doorgebroken in de tijd van de ‘Verlichting’.
Zo dachten de Grieken zich de mens ook als een geest of ziel, opgesloten in een lichaam. Bij de dood zou deze ziel van het lichaam worden bevrijd en zelfstandig voortbestaan, terwijl het dode lichaam overging tot ontbinding. Deze opvatting is vooral bekend van Plato. In een uitgebreide verhandeling over het failliet van de god-loze humanistische wijsbegeerte en de noodzaak voor een reformatorische wijsbe­geerte stelt drs. A. Keizer:

‘Het Griekse mensbeeld bevat een twee­deling, een ‘dichotomie’, bestaande uit een ‘onsterfelijke redelijke ziel’ die verwant is aan de goddelijke rede, en een ‘sterfelijk lichaam’ dat verwant is aan de vergankelijke materie. Als de mens sterft wordt de onsterfelijke ziel bevrijd uit zijn gebondenheid aan het sterfelijke materie-lichaam.’1)

Daartegenover stelt hij de Schrift:

‘De Schrift weet niet van iets onsterfe­lijks aan de mens. Zij zegt in 1 Tim. 6:16 dat alleen de ‘Koning der koningen’ en de ‘Here der heren’ onsterfelijkheid heeft. Zij zegt ook dat de mens onsterfe­lijkheid moet ‘aandoen’:

“Want dit vergankelijke moet onvergankelijk­heid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen” ’ (1 Kor. 15:53).

Hij wijst er tenslotte op dat reeds de leugen van de slang in Eden de mens trachtte aan te praten dat hij niet werkelijk zou sterven.

 

Men heeft getracht de Griekse opvatting te rechtvaardigen door te wijzen op het feit dat ook de Bijbel veelvuldig spreekt van ‘ziel’. Maar de Bijbelse ziel is, zoals we za­gen, niet een deel van de mens, het is de gehele (sterfelijke) mens. Door zijn geformeerd worden uit het stof en door het schenken door God van de ‘levensadem’ wordt de mens tot een levende ziel (nefesj) (nephesh). In het bekende boek Bijbelse woorden en hun geheim schrijft Drs. J. Pop:

‘Er is een uiterst nauwe band tussen de nefesj en het lichaam… Het is de nefesj, die het lichaam de geheimzinnige kracht ver­leent om zich te bewegen. De Israëliet kent de nefesj dan ook uitsluitend in verband met het lichaam. Alleen daar is een nefesj, waar een lichaam van mens of dier bezig is adem te halen of zich te verplaatsen. Van een nefesj buiten het lichaam… weet een Israëliet niet.’ 2)

Ten aanzien van het inblazen door God van de levensadem, zegt hij:

‘In geen geval mogen wij hier uit aflei­den dat dit vers ons wil meedelen, dat de mens bij zijn schepping in zijn uit aarde gevorm­de lichaam een eeuwige, onsterfelij­ke ziel heeft ontvangen, even­min dat hij daardoor het goddelijke leven in zich draagt. Deze tekst wil iets anders verkondigen; nl. dat het levend-worden van het door God gevormde lichaam te danken is aan een daad van de Here God. Aan Hèm danken de men­sen het leven! Zij hebben het niet in zichzelf; het spreekt niet vanzelf, dat zij leven. Neen, het leven is een geschenk.’ 2)

Het leven thans is een tijdelijk geschenk van God, en het leven hierna, bij de opstanding, is, voor wie dat mag ontvangen, een nieuw geschenk van God; daarbuiten is er niets. Dat is de duidelijke leer van de Bijbel.

+

Voorgaande:

De Falende mens #2 Vrije keuze

Een goddelijk Plan #4 Beloften

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 2 Scheiding van God

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 3 Lichamelijke opstanding

Fragiliteit en actie #2 Onderwerpen en werken

Verlossing #1Bijbelse leer van verlossing

Het begin van Jezus #2 Aller Begin

Vervolg: Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 5 Griekse bezwaren tegen de opstanding

++

Aanvullende lezing

  1. Omgaan met zorgen in ons leven
  2. Leven gedefinieerd door de dood
  3. Oorzaak lijden en dood
  4. Lichaam en ziel één
  5. Keuze van levende zielen tot de dood
  6. Voorzieningen voor de keuzes van de mens
  7. Wat gebeurt er als wij sterven
  8. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  9. Onsterfelijkheid – Immortaliteit
  10. Al of niet onsterfelijkheid
  11. Immortality, eternality – onsterfelijkheid, eeuwigheid
  12. Decomposition, decay – vergaan, afsterven, ontbinding
  13. Twee soorten mensen
  14. God liefhebbenden gerechtvaardigd
  15. De ziel heeft geen regenboog als de ogen niet tranen
  16. De hoop op leven
  17. Echte boodschap van redding niet ver te zoeken
  18. Verzoening en de gekochte race
  19. De aanduiding door Paulus en Jacobus van de werken die wij horen te doen
  20. Glimlach raam naar je ziel

+++

Verder aanvullende lectuur

  1. What happens when we die?
  2. Dying or not
  3. The Soul not a ghost
  4. God, my God, I cry to thee early
  5. The soul has no rainbow if the eyes have no tears
  6. Elul Observances

+++

Geplaatst in Bijbelonderzoek, Christen zijn, Christendom, Geschiedenis, Godsdienst, Levensvragen, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 3 Lichamelijke opstanding

De lichamelijke opstanding

Heeft de Bijbel dan geen enkele hoop te bieden voor na dit leven? Zeker wel. De Bijbel vertelt ons dat de gelovigen in “het laatst der dagen” weer uit de dood zullen worden opgewekt, zoals mensen die slapen weer ontwaken, en dat zij dan nieuw leven zullen ontvangen. Dit wordt door de Bijbel “de opstanding uit de doden” genoemd. Reeds het Oude Testament ge­waagt ervan, zij het vaak in bedekte termen. Maar als de profeet Jesaja heeft gesproken over de ondergang van Gods tegenstanders, dan juicht hij openlijk:

“Herleven zullen uw doden — ook mijn lijk —, opstaan zullen zij. Ontwaakt en ju­belt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van licht; en de aarde zal aan de schimmen het leven hergeven” (Jes. 26:19).

Hij spreekt hier duidelijk van een licha­me­lijke opstanding voor diegenen die ‘van God’ zijn. Ook het Nieuwe Testament sluit zich aan bij deze leer. In verband met de ruimte zullen we ons beperken tot de leer van de apostel Paulus. In de vergadering van de Joodse raad roept hij uit:

“Ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden” (Hand. 23:6).

Tegenover de stadhouder Felix zegt hij:

“Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij [zijn Joodse aanklagers] een sekte noemen, inderdaad de God der vade­ren vereer, gelovende al het­geen in de wet en in de profeten [ons OT] ge­schreven staat, terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwach­ten, dat er een op­standing van recht­vaardi­gen en onrecht­vaardigen zal zijn” (Hand. 24:15).

Die uitdrukking ‘de opstanding van onrechtvaardigen’ heeft hierbij te maken met het oordeel over afval­lige gelovigen, wat nu niet ons onder­werp is (zie hiervoor het volgende hoofdstuk). Hoe belangrijk Paulus dit aspect van de opstanding vindt, blijkt als hij aan de ge­meente te Korinte schrijft aangaande het feit dat sommigen in die gemeente zo’n opstanding ontkennen. Hij zegt dan:

“Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen” (1 Kor. 15:19).

Zonder hoop op de opstanding is er alleen het huidige leven, en dat houdt, vroeg of laat, eens op. Zonder opstanding zou er daarna niets meer zijn. We zien dus dat het NT in zijn leer aansluit bij die van het OT. Ook wat dit betreft is er eenheid in de bood­schap van de Bijbel.

+

Voorgaande:

De Falende mens #2 Vrije keuze

Een goddelijk Plan #4 Beloften

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 2 Scheiding van God

++

Aanvullende leesstof

  1. Diegene die maakt zoals wij zijn
  2. Woord zonder boeien vol van kracht
  3. Uitnodiging voor studiedag 2012
  4. Hoe de Satan vandaag rond toert
  5. Misleid door valse opwekkingen
  6. Charles Spurgeon: Pas op voor religieuze kicks
  7. Laatste dagen omroepers
  8. Wederopstanding, ook van huisdieren
  9. Christus is waarlijk opgestaan uit de dood
  10. Jezus is verrezen
  11. De hoop op leven
  12. Hoe zullen de doden weer levend gemaakt worden?
  13. Enkele nieuwe websites om mensen tot God te brengen

+++

Further reading

  1. How are the dead?
  2. Christ has indeed been raised from the dead
  3. 1 Corinthians 15 Hope in action

+++

Geplaatst in Bijbel of Heilige Schrift, Bijbelonderzoek, Levensvragen, Woord van God | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 2 Scheiding van God

De dood brengt scheiding van God

Een regelmatig terugkerend thema in het Oude Testament, en in het bijzonder in de Psalmen, is de klacht van iemand die vreest te sterven en wiens grootste zorg is dat hij dan van God is afgesneden. Zo zegt koning David:

“Keer weder, Here, red mijn ziel [nefesj],… want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zou U loven in het doden­rijk?” (Ps. 6:5-6).

En in een andere psalm:

“Wat voor gewin ligt er in mijn bloed, in mijn nederdalen in de groeve? Kan het stof [aphar, hetzelfde woord als in Gen. 2 en 3] U loven, kan dat uw trouw ver­melden?” (Ps. 30:10).

De Korachieten vragen retorisch in een psalm die wordt aangeduid als een ‘leer­dicht’:

“Wordt in het graf uw goedertierenheid verkondigd, uw trouw in de plaats der vertering? Wordt uw wondermacht in de duisternis bekend, uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?” (Ps. 88:12-13).

Merk op dat het graf hier synoniem wordt gesteld met vertering, duisternis en verge­telheid. Een onbekende psalmdichter dicht:

“Niet de doden zullen de Here loven, nie­mand van wie in de stilte zijn neerge­daald, maar wij, wij zullen de Here prij­zen” (Ps. 115:17-18).

Niet alleen in het boek der Psalmen vinden we zulke uitingen. Ook koning Salo­mo laat zich zo uit in het boek Prediker:

“Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo ster­ven genen, en allen hebben enerlei adem… alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof” (Pred. 3:19-20).

En:

“De levenden weten tenminste, dat zij ster­ven moeten, maar de doden weten niets” (Pred. 9:5).

Als de profeet Jesaja de nog later leven­de koning Hizkia in eerste instantie mede­deelt dat hij sterven moet, maar hem ver­volgens mag vertellen dat God hem nog 15 levens­jaren heeft geschonken, dan prijst deze God met de woorden:

“Het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neer­gedaald, hopen niet op uw trouw. De leven­de, de levende, hij looft U, zoals ik heden doe” (Jes. 38:18-19).

+

Voorgaande:

Gods vergeten Woord 16 Geopenbaarde Woord 1 Zoeken naar een god

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel

++

Aansluitend

  1. Lichaam en ziel één
  2. Wat gebeurt er als wij sterven
  3. What happens when we die?
  4. Al of niet onsterfelijkheid
  5. Onsterfelijkheid – Immortaliteit
  6. Dying or not
  7. Immortality, eternality – onsterfelijkheid, eeuwigheid
  8. Grave, tomb, sepulchre – graf, begraafplaats, rustplaats, sepulcrum
  9. Graf
  10. Sheol, Sheool, Sjeool, Hades, Hel, Graf, Sepulcrum
  11. Omgaan met zorgen in ons leven
  12. Wat betreft Korte inhoud van lezingen: Bijgeloof en feesten
  13. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  14. Verzoening en de gekochte race
  15. Uitlopen om uit lichaam te wonen
  16. Glimlach raam naar je ziel
  17. De ziel heeft geen regenboog als de ogen niet tranen
  18. The soul has no rainbow if the eyes have no tears
  19. The Soul not a ghost
  20. God liefhebbenden gerechtvaardigd
Geplaatst in Levensvragen, Wereld | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel

In de Bijbel is leven een gave van God. De bij­belse leer kent geen inherente onsterfelijkheid voor de mens. De Bij­bel kent een almachtige God die leven kan schenken, maar die dat leven ook weer kan wegnemen. De idee van een ziel als een inherent, onsterfelijk, goddelijk element in de mens is niet van bijbelse, maar van Grieks-filosofische oor­sprong. Het degradeert de almacht van God.

 

Eén van de gemeenschappelijke thema’s van vrijwel alle godsdiensten is een leer over leven en dood. De mens is zich be­wust van het feit dat het leven eindig is en vraagt zich af of er na de dood nog iets is. Welis­waar kunnen wij dat ‘iets’ niet waar­nemen maar overal ter wereld is men er van over­tuigd dat het bestaan niet ophoudt met de dood. Zelfs in onze ratio­nalistische, atheïsti­sche westerse wereld zijn velen daarvan overtuigd. Getuigenis­sen van men­sen met ‘bijna-dood’ ervarin­gen moeten ons overtui­gen van de reali­teit van een hiernamaals. Het bezwaar van zulke getui­genissen is natuurlijk dat niemand van hen de grens tussen leven en dood werkelijk heeft over­schreden, maar dat weerhoudt velen er niet van om deze ‘bewijzen’ te aanvaarden. Ook de Bijbel heeft het een en ander over dit onderwerp te vertellen. Maar wat hij te vertellen heeft spreekt de meeste mensen niet aan, zo blijkt.

 

In de Bijbel wordt leven voorgesteld als een gift van God. Het eerste boek van de Bijbel vertelt ons hoe God de mens for­meert van aardse materie; vervolgens schenkt Hij hem ‘de le­vensadem’ en “alzo werd de mens tot een levend wezen” (Gen. 2:7). Het woord voor ‘wezen’ hier is het He­breeuwse woord nefesj. Dit wordt in oudere vertalingen vaak vertaald met ‘ziel’; zo bijvoorbeeld in de Statenvertaling. Maar dit moet ons niet misleiden, ook dieren worden levende wezens (zielen) genoemd:

“En God zeide: Dat de aarde voortbren­ge levende wezens [nefesj] naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedier­te naar hun aard” (Gen. 1:24).

 

Ook bij de dieren is ‘de levensadem in hun neus’ (Gen. 7:21-23). Deze levensadem is het wat onderscheid maakt tussen leven­de wezens en dode materie. In mijn eerdere boek heb ik al gesproken over het verschil tussen leven en dode materie. Ik heb daar het feit bena­drukt dat de wetenschap dat ver­schil niet kan definiëren, en er daarom naar neigt om te ontkennen dat er een werkelijk verschil is. Voor zover het levende wezens betreft definieert de Bijbel het verschil dus als het al of niet aanwezig zijn van een ‘levens­adem’. Zonder levensadem is er slechts dode materie. En, hoogst belangrijk, het bezit van die levensadem is een gave van God, die Hij ook weer terug kan ne­men:

“Neemt gij hun adem weg, zij [de die­ren] sterven en keren weder tot hun stof” (Ps. 104:29).

Belgian singer Frank Vander Linden, part of th...

Een mens of levende ziel – Belgische zanger Frank Vander Linden, lid van de groep De Mens. (Foto credit: Wikipedia)

Als de mens is geschapen wordt hem ver­teld dat hij het leven slechts op proef heeft. Hem is de aarde beloofd, maar voor­lopig ontvangt hij slechts een stukje daar­van (een ‘hof’) waar hij moet werken en bezig zijn. Ook ontvangt hij een wet, ge­symboliseerd in een gebod. Zou hij die wet overtreden, dan wordt het leven hem weer ontnomen:

“… want ten dage, dat gij daar­van eet, zult gij voorzeker sterven” (Gen. 2:17).

En zo gebeurt het ook. De mens overtreedt het gebod, en het leven wordt hem ontnomen. Weliswaar sterft hij niet ter plekke, maar de dood wordt hem op ter­mijn aangezegd:

“…totdat gij tot de aardbodem weder­keert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij we­derkeren” (Gen. 3:19).

De mens was geformeerd “van stof uit de aardbodem” (Gen. 2:7) en daartoe zou hij terugkeren. Er is hier geen enkele sug­gestie dat er vóór zijn formering iets meer was dan dat ‘stof’ en er is ook geen enkele suggestie dat er na zijn heengaan iets an­ders rest dan datzelfde ‘stof’. Het intreden van de dood is het direct tegengestelde van het geven van het leven. Het één hangt onlosmakelijk samen met het ander; en zo vinden we het ook in de rest van de Bijbel.

+

Voorgaande

Uitdagende vordering 1 Wiens Woord

Gods vergeten Woord 16 Geopenbaarde Woord 1 Zoeken naar een god

++

Aanverwante lectuur

  1. Omgaan met zorgen in ons leven
  2. Leven gedefinieerd door de doodEerste stappen die leidden naar een loskoopoffer 1 Mens geplaatst in wereld van groen en andere levende wezensEerste stappen die leidden naar een loskoopoffer 2 Lot na daad van ongehoorzaamheidOffers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 1
  3. Verzoening en de gekochte race
  4. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  5. Al of niet onsterfelijkheid
  6. Onsterfelijkheid
  7. Onsterfelijkheid – Immortaliteit
  8. Immortality, eternality – onsterfelijkheid, eeuwigheid
  9. De aanduiding door Paulus en Jacobus van de werken die wij horen te doen
  10. Geschapen om te leven in relatie met God
  11. Mogelijkheid tot leven
  12. Activiteiten in dit leven nagaan
  13. Elke keuze die we maken veroorzaakt een rimpelig effect in ons leven
  14. Kies voor Leven
  15. Leef …
  16. Hopen zolang je leeft
  17. Overtuiging voor de dingen die God beloofde
  18. Je leven de som van al je keuzes
  19. Glimlach raam naar je ziel
  20. Monotomie van het leven
  21. Leef alsof je morgen gaat sterven
  22. Hoe is jouw film van je leven?
  23. Christus kennen is zin geven aan het leven

+++

Geplaatst in Godsdienst, Levensvragen, Religie, Wereld | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 7 reacties

Dienende geesten 4 Gevallen engelen

Addendum: bestaan er gevallen engelen?

Eigenlijk zou deze vraag niet meer van belang moeten zijn, omdat hij samenhangt met de leer van de ‘grote verleider’ waar we in het vorige hoofdstuk al over gesproken hebben. Maar we zullen hem toch behandelen, omdat velen geen duidelijk beeld hebben van het antwoord. Volgens velen zou de ‘grote verleider’ een gevallen engel zijn, die in opstand is gekomen tegen God en vervolgens met een aantal medestanders uit de hemel zou zijn gegooid. Dat zou dan zijn gebeurd ergens tussen de schepping van hemel en aarde en de val van de mens in de hof van Eden. Het bewijs voor deze opstand zou moeten komen van een passage in het allerlaatste boek van de Bijbel, het boek Openbaring (Op. 12:7-9). Zorgvuldig lezen van deze passage geeft echter een geheel ander beeld, waarbij men zich bewust moet zijn van het verregaand symbolisch karakter van de taal in dit boek. De passage die er aan vooraf gaat (Op. 12:1-6) spreekt in symbolische bewoordingen over het aardse leven van Jezus. Afhankelijk van de vraag of men de rest van het hoofdstuk ziet als gelijktijdig met of volgend op deze woorden, moet deze ‘oorlog’ in de hemel en de val van ‘satan’ dus ten tijde van of na Jezus’ hemelvaart worden geplaatst. Dat is tientallen eeuwen te laat voor een grote verleider die Adam en Eva in de hof van Eden tot de zondeval zou kunnen verleiden. Wie zich herinnert wat we in het vorige hoofdstuk over de ‘satan’ hebben gezegd, zal zich herinneren dat hij o.a. staat voor alles wat tot zonde verleidt (dat is, in Paulus’ woorden, het menselijk vlees). De ‘oorlog’ beschrijft dus Jezus’ strijd en overwinning aan het kruis, waarmee Hij “de duivel onttroond heeft” (Hebr. 2:14).

“Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;” (Hebreeën 2:14 STV)

Verder is er in de Bijbel weinig te vinden wat op deze val zou kunnen slaan, of het moesten bepaalde verzen in Jesaja 14 en Ezechiël 28 zijn, die echter volgens die passages zelf slaan op respectievelijk de koning van Babel en de vorst van Tyrus, en die in die context ook volledig verklaard kunnen worden.

 

Dan zijn er nog een tweetal passages die gewoonlijk geciteerd worden om te bewijzen dat engelen wel degelijk gezondigd hebben. De ene staat in Gen. 6:1-4, waar gesproken wordt over ‘zonen Gods’. Velen hebben dit opgevat als ‘engelen’, maar de uitdrukking wordt elders van mensen gebruikt (zie Hos. 1:10 en Joh. 8:41-42). En het moet opvallen dat uiteindelijk niet engelen maar mensen worden gestraft voor hun misstap. De ‘zonen Gods’ zijn dus kennelijk de kinderen Gods, diegenen die aan Gods kant zouden moeten staan (maar dat dus niet doen), wellicht de priesters van die dagen, in tegenstelling tot de ‘kinderen des duivels’ (zie Joh. 8:44), de mensen die zich allang niet meer om God bekommeren, in deze passage de ‘kinderen der mensen’ genoemd. De andere passage bevindt zich in 2 Petr. 2:4 (met een parallel in Judas 6). Maar als we daar doorlezen zien we dat Petrus het heeft over de wereld ten tijde van de vloed, en dus over deze zelfde ‘zonen Gods’. Als we ons herinneren dat het woord engel eigenlijk ‘bode’ of ‘afgezant’ betekent, zullen we geen moeite hebben met het feit dat de dienaren van God (nogmaals: wellicht de priesters van die dagen) hier worden aangeduid als ‘engelen’.

File:Altlerchenfelder Pfarrkirche - Fresko seitlich an der Orgelempore (Engelssturz) 02.jpg

De Gevallen engelen – Altlerchenfelder Pfarrkirche in Wien-Neubau. Fresko “Engelssturz” (ontwerp Josef Führich, Ausführung Leopold Schulz) aan de zeikant van het Portaal aan het orgelhok.

Ten aanzien van de eigenlijke vraag of engelen ooit hebben gezondigd kunnen we alleen maar terugwijzen naar wat boven is gezegd over de middelaarsrol van engelen. Engelen moesten noodzakelijkerwijs optreden als middelaar tussen God en de mensen, omdat zondige mensen voor Gods aangezicht een onmiddellijke dood zouden sterven. Logischerwijze zou het ‘zondige engelen’ niet anders zijn vergaan. Voor het aangezicht van een God die “te rein van ogen is om het kwaad te zien” zouden zij in een oogwenk zijn vergaan. Voor de dienaars die “voortdurend Gods aangezicht zien” moet wel gelden dat zij zonder zonde zijn. Daarmee hoeven zij nog niet volmaakt te zijn, zoals Christus nu of de verheerlijkte gelovigen straks. Ik denk dat wij ons engelen meer zullen moeten voorstellen als wezens die niet tot zondigen in staat zijn, en wier zondeloosheid dus niet berust op volharding in beproeving. Overigens sluit bovenstaande overweging ook uit dat ‘de satan’ in Job (zie het Addendum van het vorige hoofdstuk) zou kunnen slaan op de grote verleider. Deze zou voor Gods aangezicht niet kunnen standhouden. Laat staan dat God een ‘deal’ met hem zou sluiten. We moeten dat wel terugvoeren op de sterk gedramatiseerde stijl van het verhaal daar.

 

Er is nog een andere overweging die ons moet doen besluiten dat engelen niet zondigen. In het gebed dat wij kennen als het ‘Onze Vader’ leert Jezus de zijnen te bidden

“… uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde”.

Wil dat enige reële betekenis hebben dan moet dat betekenen dat in de hemel Gods wil volmaakt gedaan wordt. Als daar opstand tegen God zou kunnen voorkomen, wat voor verwachting is er dan bij vervulling van dit gebed voor de aarde. Opstand tegen God is hier nu al aan de orde van de dag. We begonnen met te zeggen dat wij weinig concreets weten van engelen. Maar wat wij weten sluit uit dat engelen ooit hebben gezondigd.

+

Voorgaande

Dienende geesten 3 Nieuwe middelaar en persoonlijke beschermengelen

Begrippen satan en duivel in de Bijbel

De Voltooiing van de schepping 3 Noodzakelijke beproeving

++

Aanvullende lectuur

  1. Hoofdbronnen van afwijkende gedachten
  2. God meester van goed en kwaad
Geplaatst in Levensvragen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Dienende geesten 3 Nieuwe middelaar en persoonlijke beschermengelen

Een nieuwe middelaar

Er is nog iets interessants met engelen in het NT. We ontmoeten engelen aan het begin van de evangeliën bij de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper en de geboorte van Jezus. Daarna bij Jezus’ geboorte de engelen in het veld bij Bethlehem. Dit is zo’n belangrijk punt in Gods heilsplan dat we ze daar ook verwachten. We komen engelen tegen die Jezus sterken en dienen bij zijn verzoeking in de woestijn en opnieuw in de hof van Gethsemané. Tenslotte zijn er engelen bij het lege graf en op de Olijfberg bij Jezus’ hemelvaart. Maar daarna wordt het geleidelijk stil. Ze worden enkele malen door Jezus genoemd als zijn dienaren die de uitverkorenen zullen verzamelen bij zijn wederkomst (Matt. 24:31; Marc. 13:27), een buitengewoon belangrijke taak. Maar we ontmoeten ze eerst weer ten volle in de symbolische taal van het boek Openbaring, waar ze Gods oordelen over de wereld voltrekken. De meeste van de 200 plaatsen waar het woord voorkomt zijn indirecte vermeldingen, plaatsen waar over engelen wordt gesproken. De betekenis hiervan is duidelijk: er is een nieuwe middelaar tussen God en de mensen. Niet langer zijn engelen de voornaamste tussenpersonen. Die plaats is nu ingenomen door Gods Zoon. David sprak in de psalmen:

“De engel des Heren legert zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen” (Ps. 34:8).

De apostel Paulus kan uitroepen:

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here” (Rom. 8:38-39).

 

Persoonlijke beschermengelen?

Hebben mensen persoonlijke (bescherm-)engelen? Velen menen van wel. Er zijn eigenlijk maar twee passages die je daarvoor zou kunnen aanhalen. De ene is dat geval met Petrus, waar wij boven al over gesproken hebben. Als de uitdrukking “Het is zijn engel” inderdaad de juiste vertaling is, dan kunnen wij daaruit afleiden dat in elk geval de daar aanwezigen meenden dat Petrus een persoonlijke engel had. Maar zoals wij al gezien hebben is het in het geheel niet zeker dat de aanwezigen hier spreken van een hemelse engel. De tweede tekst bevat de uitspraak van Jezus, die als zodanig meer gezag heeft dan een opvatting van gelovige broeders en zusters:

“Ziet toe dat gij niet één dezer kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is” (Matt. 18:10).

Men zou uit de uitdrukking hun engelen kunnen opmaken dat ieder zijn persoonlijke engel heeft. Maar het bewijs is niet erg sterk. We zijn hierover in feite nauwelijks ingelicht, en dat kan maar één ding betekenen: we hoeven dat kennelijk niet te weten. Wat we wel weten is waar we mee begonnen: zij zijn allen dienende geesten uitgezonden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven. God en zijn Zoon staan ons bij en zorgen voor ons. Daarbij staan de engelen hun ten dienste. Die wetenschap moet ons voldoende zijn; hoe het precies in zijn werk gaat hoeven we kennelijk niet te weten.

An engraving by Paul Gustave Doré showing an angel pointing a sword toward Balaam.

Engel verschijnend aan Balaam

+

Voorgaande:

Dienende geesten 1 Afgezanten van onzichtbare God

Dienende geesten 2 Engelen als god hemelijk of menselijk

Geplaatst in Bijbelonderzoek, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua | Tags: , , , | 2 reacties

Dienende geesten 2 Engelen als god hemelijk of menselijk

Engelen als ‘God’

Zo was de ‘Here’ die in Gen. 18 aan Abraham verscheen in feite een engel. Want de schrijver aan de Hebreeën zegt over deze episode:

“Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd” (Hebr. 13:2).

Het was een engel die met Jakob worstelde:

“In zijn mannelijke kracht streed hij met God. Hij streed tegen een engel en overwon” (Hosea 12:4-5)

En het was uiteindelijk een engel die het volk bij Sinaï de wet gaf. Stefanus zegt in zijn verdedigingsrede:

“… gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen” (Hand. 7:53).

Paulus schrijft in zijn uiteenzetting over het verschil tussen het oude en het  Nieuwe Verbond:

“Zij [de wet] is op last van God door engelen in de hand van een middelaar [nl. Mozes] gegeven” (Gal. 3:19).

En de schrijver aan de Hebreeën spreekt over:

“… het woord, door bemiddeling van engelen gesproken” (Hebr. 2:2).

En zelfs deze manifestatie van engelen was al zo ontzagwekkend dat het volk verzocht dat Mozes verder als hun vertegenwoordiger zou optreden. Anderzijds blijkt uit diverse ontmoetingen van mensen met engelen dat zij hen in eerste instantie zien als gewone mannen. Kennelijk hebben zij op zulke momenten die gedaante. De populaire voorstelling van figuren met grote vleugels op hun schouders gaat dan ook meer terug op de fantasie van beroemde kunstenaars dan op de betrokken bijbelteksten.

 

Hemels of menselijk?

Het woord malak komt in het OT circa 200 maal voor en in ongeveer de helft van dat aantal gevallen slaat het op menselijke boden. De andere helft slaat kennelijk op engelen. En hoewel de vertalers zelf hebben moeten beslissen wat waar van toepassing is, is het meestal wel duidelijk. Een mogelijke uitzondering is de passage in Mal. 3:1:

“Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal.”

Jezus past in Luc. 7:27 deze passage toe op Johannes de doper. Dat is dus een menselijke bode. In overeensteming daarmee heeft de Nieuwe Vertaling van het NBG in Maleachi het woord dus ook vertaald met ‘bode’. De statenvertalers hadden echter een andere opvatting van Maleachi’s profetie en hebben daar het woord ‘engel’ gebruikt. Consequent gebruikten ze het vervolgens ook daar waar Maleachi in de evangeliën wordt aangehaald.

 

In de eveneens ongeveer 200 maal dat het woord angelos in het NT voorkomt is het bijna overal met ‘engel’ vertaald. Meestal zal dat ook wel kloppen, vooral in die gevallen waar de bode wordt aangeduid als “een engel des Heren”. Er is echter een interessant geval in het boek Handelingen. We lezen daar dat de apostel Petrus door een engel uit de gevangenis wordt bevrijd (Hand. 12). Deze engel wordt terecht zo aangeduid. Maar dan: als Petrus bij vrienden aan de deur klopt, en de portierster gaat melden dat Petrus voor de deur staat, menen de aanwezigen:

“Het is zijn engel”.

Menen zij werkelijk dat er een persoonlijke hemelse bode van Petrus voor de deur staat? Of bedoelen zij dat Petrus wel iemand (een menselijke boodschapper) gestuurd zal hebben? Het wordt in de oorspronkelijke Bijbeltekst aan de lezer overgelaten om te kiezen.

A painting of the angel appearing to the shepherds to announce the birth of Christ.

De boodschapper van God of engel die aan de herders verscheen

+

Voorgaande:

Dienende geesten 1 Afgezanten van onzichtbare God

Geplaatst in Bijbelonderzoek, Geschiedenis, Jehovah, JHWH, Jawheh, Elohim God, Yahuwah | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Dienende geesten 1 Afgezanten van onzichtbare God

Engelen worden ons in de Bijbel geschilderd als tussenpersonen tussen God en de mensen. Zij zijn de machtigen die Gods plan uitvoeren en bemiddelen tussen Hem en de mens, omdat de (zondige) mens niet in staat zou zijn tot een direct contact met God.

File:Giotto - Scrovegni - -14- - The Angel Gabriel Sent by God.jpg

De engel Gabriel afgezant van God. – Giotto di Bondone (1266–1337) – Cappella degli Scrovegni

Ieder die iets van de Bijbel af weet zal bekend zijn met het begrip ‘engelen’. Ze komen er veelvuldig in voor en spelen ook een belangrijke rol. Toch blijven het wat mysterieuze wezens, waar we eigenlijk niet zoveel over weten. Duidelijk is in elk geval dat ze op onfeilbare wijze Gods taken uitvoeren. Het woord voor ‘engel’ in het OT is, op enkele uitzonderingen na, het Hebreeuwse woord malak, dat eigenlijk ‘boodschapper’ betekent. Het NT gebruikt hiervoor het Griekse woord angelos, dat dezelfde grondbetekenis heeft. In beide gevallen moeten we zelf uit het verband opmaken of het om hemelse of aardse boden gaat. Toch is dat in de meeste gevallen wel duidelijk. Over hun functie zegt de schrijver aan de Hebreeën:

“Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden zijn ten dienste van hen , die het heil zullen beërven? (Hebr. 1:14).

Dat betekent dat ze de verheven taak hebben om Gods werk daadwerkelijk uit te voeren. Ze staan in dienst van Gods plan met zijn Schepping. Belangrijker voor ons is echter dat de Bijbel ze toont als middelaars tussen God en de mensen

 

Afgezanten Gods

Zoals gezegd betekent het woord in feite ‘bode’ of ‘afgezant’. Dat mag soms verwarrend zijn, als we niet precies weten of het wel om een hemelse afgezant gaat. Maar de Bijbel zal dit woord niet zonder reden gebruiken. Engelen zijn afgezanten Gods. In het OT wordt vaak over een engel gesproken als “de engel des Heren”. We weten niet goed of dit een speciale engel is, of een engel met een speciale opdracht. In elk geval lijkt de uitdrukking de betrokken engel extra gezag toe te kennen. In het NT wordt tweemaal gesproken van een “aartsengel”, wat dezelfde betekenis lijkt te hebben als de “engel des Heren” in het OT. Als het NT echter spreekt over “een engel des Heren” lijkt het meer te willen preciseren dat het inderdaad om een hemelse bode gaat. Als boodschappers komen we ze tegen op belangrijke momenten in Gods heilsgeschiedenis. Het zijn engelen die Gods beloften overbrengen aan Abraham, en dan in het bijzonder de belofte van een nakomeling (Gen. 18; de tekst lijkt in eerste instantie aan te duiden dat het God Zelf is, maar daar komen we nog op terug). Het is een engel die aan Jakob verkondigt dat hij voortaan Israël (strijder Gods) zal zijn en de stamvader van het verbondsvolk (Gen. 32). Het is een engel die aan Simsons ouders diens geboorte aankondigt (Richt. 13). Het is een engel die aan Zacharias aankondigt dat hij in zijn ouderdom een zoon zal hebben die de voorloper zal zijn van de Messias, en het is tenslotte een engel die aan Maria komt verkondigen dat zij de moeder van die Messias zal zijn (beide Luc. 1).

 

Maar een gezant is meer dan alleen een bode die een bericht overbrengt. In de diplomatie is een gezant iemand die in den vreemde de overheid van zijn land vertegenwoordigt. Zo kunnen engelen ook Gods vertegenwoordigers zijn, die dan volledig zijn bekleed met Gods gezag en soms ook met zijn naam worden genoemd. Als God bij Sinaï het volk zijn wetten geeft, zegt Hij:

“Zie, Ik zend een engel vóór uw aangezicht, om u te bewaren op de weg en om u te brengen naar de plaats, die Ik bereid heb. Neem u voor hem in acht en luister naar hem, wees tegen hem niet wederspannig, want hij zal uw overtredingen niet vergeven, want mijn naam is in hem” (Ex. 23:20-21)

Worshiping the golden calf.jpg

Toen Mozes op de berg Sinaï vertoefde om de Tafelen der Wet van de Heer te ontvangen, verenigde het volk zich om Aäron. Deze verzamelde sieraden van de vrouwen en liet daaruit een gouden kalf vervaardigen. De volgende dag bracht het volk offers, vierde feest en danste om het gouden beeld. Mozes keurde dit sterk af.

Wanneer het volk zich later misgaan heeft in de geschiedenis van het gouden kalf, en God ‘weigert’ in hun midden op te trekken, zegt Hij:

“Ik zal een engel voor uw aangezicht zenden … Want Ik zal in uw midden niet optrekken, daar gij een hardnekkig volk zijt, opdat Ik u niet onderweg vertere” (Ex. 33:2-3).

Hier zien wij overigens een belangrijk principe: God is “te rein van ogen om het kwaad te zien” (Hab. 1:13). In zijn nabijheid kan zonde niet bestaan zonder onmiddellijk vernietigd te worden. Hij zegt tegen Mozes:

“Geen mens zal Mij zien en leven” (Ex. 33:20).

En Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Timoteüs over God dat die “een ontoegankelijk licht bewoont” en dat

“geen der mensen (Hem) gezien heeft of zien kan” (1 Tim. 6:16).

Daarom is het nodig dat engelen Hem vertegenwoordigen in zijn contact met mensen.

+

Voorgaande

De Falende mens #2 Vrije keuze

Begrippen satan en duivel in de Bijbel

++

Aanvullende lectuur

  1. Jehovah God Maker van het universum gediend door een getraind leger
  2. Bestaat er iets als engelen en kunnen die zondigen
Geplaatst in Jehovah, JHWH, Jawheh, Elohim God, Yahuwah | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties

Begrippen satan en duivel in de Bijbel

In de vorige artikelen hebben wij naar het ontstaan van de mens gekeken en de verleiding die hij onderging, uitgebeeld door een slang rond de Boom van Kennis van Goed en Kwaad.

Addendum: de begrippen satan en duivel in de Bijbel

Het bijbelse begrip ‘satan’

File:Hugo Simberg - Tienhaarassa (1896).jpg

Bekoring of verleiding – At the Crossroads – Hugo Simberg – Valtion taidemuseo

Toch kunnen we dit hoofdstuk niet afsluiten zonder enige aandacht te besteden aan de bijbelse begrippen ‘satan’ en ‘duivel’. Het woord satanas is een Hebreeuws woord dat ‘tegenstander’ betekent. In het OT komt het zes maal voor als werkwoord (een tegenstander zijn) en 27 maal als zelfstandig naamwoord. Vaak wordt het vertaald als ‘tegenstander’ of ‘aanklager’, waarbij het in die gevallen duidelijk om menselijke tegenstanders gaat. In één geval duidt het echter een engel aan die zich presenteert als een tegenstander ‘ten goede’ tegen Bileam die een ongoddelijke missie heeft aanvaard (Num. 22:22). In 17 gevallen hebben de vertalers verkozen het onvertaald te laten en het te beschouwen als een eigennaam van ‘de grote tegenstander’. Dit betreft echter slechts drie situaties. Het woord komt 14 maal voor in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. We hebben al geconstateerd dat het verhaal daar een sterk gedramatiseerd karakter bezit. De uitdrukking ‘satan’ slaat daarbij kennelijk op de tegenstand die Job ondervindt, oa. van de mensen in zijn omgeving (“Is het om niet, dat Job God vreest?”) en van zijn ‘vrienden’ (“Gij zegt: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen. Maar och, of God zelf eens sprak en zijn lippen tegen u opende.”). Na de eerste twee hoofdstukken, als het zo sterk gedramatiseerde verhaal plaats maakt voor een meer gebruikelijke vorm van vertelling, horen we niet meer van deze ‘satan’. Wat we wel lezen is dat zijn broers en zusters en al zijn vroegere bekenden hem na afloop “beklaagden en troostten over al het onheil dat de Here over hem gebracht had” (Job 42:11). Vervolgens komt het woord nog tweemaal voor in Zach. 3, waar sprake is van een visioen, waarin de hogepriester kennelijk staat  voor het volk als geheel, en de ‘satan’ de rol speelt van aanklager, ten dele zoals belichaamd in de volken rondom (de passage slaat terug op de situatie zoals beschreven in Ezra 4). De overige keer staat het woord (in 1 Kron 21:1) voor een ‘tegenstander’ van David, die blijkens de parallelpassage in 2 Sam. 24:1 in feite God zelf is.

In het NT komt het woord 34 maal voor; het is daarbij één van die Hebreeuwse woorden die in het Griekse NT onvertaald zijn gelaten. Het woord heeft in het NT een aantal betekenissen. In de eerste plaats duidt het de neiging tot zonde in de mens aan, ons slechtere ‘Ik’, zoals het woord ‘geweten’ onze aandrang tot het goede, ons betere ‘Ik’ aanduidt. Maar terwijl de meeste mensen er geen bezwaar tegen hebben hun geweten als iets essentieels van henzelf te beschouwen, geven zij er de voorkeur aan hun neiging tot zonde te zien als iets ‘van buiten’. Dat is echter niet het beeld dat de Bijbel ons geeft. Ook bij Jezus’ verzoeking in de woestijn duidt het kennelijk op zijn menselijke natuur, die Hem wil overhalen om de gemakkelijke weg te nemen. Vanuit deze neiging tot zonde kan het dan ook de wijdere tegenstand van mensen tegen God aanduiden. Dit is vooral het geval bij het gebruik van het woord in het boek Openbaring. Soms duidt het, als afgeleide daarvan, vervolgers aan, of anderen die het de gelovigen moeilijk maken en daarmee hun geloof op de proef stellen. In één geval duidt Jezus er Petrus mee aan, wanneer die hem tracht af te brengen van zijn missie en zo een tegenstander (en een verleiding tot zonde) voor Hem is.

 

Het bijbelse begrip ‘duivel’

Het woord ‘duivel’ ontmoeten wij uitsluitend in het NT (Gr.: diabolos). De grondbetekenis is ‘kwaadspreker’ of ‘lasteraar’. In die zin komen we het tegen van de zusters waar Paulus over spreekt in zijn eerste brief aan Timotheus (1 Tim. 3:11). Het woord komt voor in de verzoeking van Jezus in de woestijn in Matt. 4, en heeft daar kennelijk de betekenis die wij boven hebben aangegeven als eerste betekenis voor satan in het NT. Ook op de meeste andere plaatsen komt het overeen met één van de boven aangeduide betekenissen van het woord satan in het NT. Het staat echter ook voor de zonde in het algemeen, wanneer gezegd wordt dat Jezus door zijn kruisdood de “duivel heeft onttroond” (Hebr. 2:14, het Hebreeuws betekent letterlijk: ‘krachteloos gemaakt’). De schrijver aan de Hebreeën wil daarmee zeggen dat zonde en dood niet langer onbetwist in de wereld heersen. In de symbolische taal van het boek Openbaring zal deze duivel in ‘de poel van vuur’ geworpen worden, evenals ‘de dood en het dodenrijk’, om zo voor eeuwig vernietigd te worden (Op. 20:10,14). Het gebruik van dit woord duivel (‘lasteraar’) gaat mogelijk terug op de passage in Numeri die zegt:

“Maar wie iets met voorbedachten rade doet, hetzij geboren Israëliet, hetzij vreemdeling, die zal een lasteraar van de Here zijn, die zal uit zijn volk worden uitgeroeid, want hij heeft het woord des Heren veracht en zijn gebod geschonden” (Num. 15:30).

Tenslotte slaat het gebruik in Judas 9 kennelijk terug op het gebruik van het woord satan in Zach. 3.

*

1)  Korte Verklaring der Heilige Schrift (Deel 1)

2)  Dr. A de Bondt, De Satan.

+

Voorgaande

De Voltooiing van de schepping 1 Beproeving – Op weg naar volmaaktheid

De Voltooiing van de schepping 2 Goden van licht en duisternis

De Voltooiing van de schepping 3 Noodzakelijke beproeving

De Voltooiing van de schepping 4 Buitenbijbelse leer

Vervolg: Dienende geesten

++

Aanvullende lectuur

  1. Elohim’s keuze in de wereld
  2. vrijëwil
  3. Satan het kwaad in ons
  4. Hoe de Satan vandaag rond toert
  5. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
  6. God meester van goed en kwaad
  7. Gevallen Engelen
  8. Gevallen engelen en hun verblijf
  9. Hellevuur
  10. Hemel en Hel
  11. Meeslepen of laten verleiden
  12. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
  13. Wrevel vermoordt de dwaas, gramschap doodt de zot
  14. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
  15. Wat Jezus Deed: Wanneer waarheid niet het doel is & Belangrijkste dingen eerst
  16. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels

+++

Aanverwant

Geplaatst in Bijbelonderzoek, Levensvragen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties