De Ekklesia #6 Bad der Wedergeboorte

Het verbondsvolk onder het Nieuwe Verbond bestaat uit allen die vrijwillig daartoe zijn toege­treden. Hun toetreding wordt in de Bijbel be­schreven als een ‘wedergeboorte’ en het sym­bool van die weder­geboorte is de doop. De doop is daarmee een daad van geloof en een bewust gezette stap.

Logo de Ekklesia

We hebben eerder gezien dat de God van de Bijbel consequent een plan uitwerkt in en met deze wereld en we hebben gezien dat er een ‘Oud Verbond’ was, te Sinaï gesloten. We zullen ook zien dat er een ‘Nieuw Verbond’ is. Onder de strikte bepalingen van het Oude Verbond kon een mens alleen behouden worden als hij volmaakt was. Hij moest daartoe ‘de Wet’ houden. Die Wet gold voor het verbondsvolk. Wie uit de andere volken behou­den wilde worden moest zich aanslui­ten bij dat verbondsvolk. Het Bijbel­boek Ruth geeft een ontroerende beschrij­ving van een vrouw die dat inderdaad deed en daartoe haar eigen volk en haar familie achterliet. Omgekeerd was er binnen het verbondsvolk geen plaats voor wie niet naar die Wet wilde leven. Als teken daarvan werden alle nieuwgeborenen in dat volk ingelijfd; de jongens werden daartoe voorzien van het teken van het Verbond (de besnijdenis). Uiteraard rustte op hen de verplichting om, eenmaal volwassen geworden, de termen van het Verbond te onderhouden. Op het (bewust) niet houden daarvan stond in principe de doodstraf; voor wie zich niet naar dat Verbond schikte was er geen plaats onder het verbondsvolk.

 

Onder het Nieuwe Verbond ligt dat alle­maal anders. Behouden wordt wie ‘de op­rechte wil’ heeft om God te dienen, maar die tegelijkertijd bereid is te erkennen dat hij daarin faalt doch zich daarbij beroept op het werk van zijn Verlosser. We hebben daarbij geconstateerd dat wie God wil die­nen, daarmee tegen de menselijke natuur in gaat, en ook moet gaan, om daarmee de oprechtheid van zijn willen te tonen. We hebben ook geconsta­teerd dat deze (enige) weg tot behoudenis in feite reeds lag besloten in het Oude Testament, maar dat is nu niet ons onder­werp. Daarvoor zij de lezer verwezen naar die eerdere hoofdstukken. Waar het ons nu om gaat is dat de enige weg tot behoudenis is gelegen in de vrijwillige poging om God uit vrije wil te dienen. Dit uitgangspunt van de vrije wil heeft belangrijke consequenties.

+

Voorgaande:

De Ekklesia #1 De uitgeroepenen

De Ekklesia #2 De Gemeente van het Oude Verbond

De Ekklesia #3 Het koninkrijk

De Ekklesia #4 De troon van David en De gezalfde des Heren

De Ekklesia #5 Gods getuigen

Dienende geesten 1 Afgezanten van onzichtbare God

Addendum 2: Vlees geworden woord

Het begin van Jezus #12 Gezalfd na Johannes de Doper

Redding, vertrouwen en actie in Jezus #5 Verblijven in Christus

Redding, vertrouwen en actie in Jezus #6 Samenhoren

Fragiliteit en actie #8 Eerste Wetsvoorziening

Schapen en bokken 3 Addendum 1: Tweede kans

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #12 Anabaptisten

++

Aanvullende lectuur

  1. De Bekeerling, bekeringsactie en bekering
  2. Echte boodschap van redding niet ver te zoeken
  3. Horen bij Christus en één worden met Christus
  4. Wedergeboorte en lidmaatschap tot een kerk
  5. Overwinnen in wedergeboorte
  6. Joodse Wetten en Wetten voor Christenen
  7. Geestelijke vorming tot heiligheid #3
  8. Het scheuren van het voorhangsel
  9. De Wederkomst en de Eindtijd #5 De Verlosser uit de hemel
  10. Wees druk bezig met het belangrijke teken van geloof

+++

Verder aanverwant leesvoer

  1. Rebirth and belonging to a church
  2. Die Heilsorde: van begin tot einde – Genade, alles Genade ! (deel 1: Inleiding, Roeping, Wedergeboorte en Geloof)
  3. Proponent of a New Life

+++

Advertenties
Geplaatst in Christen zijn, Christendom, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Kerkopbouw, Levensvragen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

De Ekklesia #5 Gods getuigen

Het was Gods bedoeling geweest dat de Israëlieten zijn naam in de wereld bekend zouden maken. Zij hadden een voorbeeldfunctie moeten hebben onder de volken rondom. Zij zouden, zowel door hun handel en wandel als door hun woorden, de heerlijkheid van de God van Israël onder de heidenen bekend hebben moeten maken. Als zij God blijvend hadden gediend, zou alleen al hun voorspoed een krachtig getuigenis zijn geweest. En de Wet die hun gegeven was zou een monument zijn geweest van gerechtigheid in een wereld van onrecht. Het is te betreuren dat de gemiddelde christen van deze Wet alleen het principe ‘oog om oog, tand om tand’ heeft onthouden, en dat dat voor hem staat als een toonbeeld van barbaarse vergelding. In werkelijkheid was de Wet, zoals we ook zouden mogen verwachten, een weerslag van Gods rechtvaardigheid; en hij bevatte elementen waar onze eigen moderne wetgeving bij lange na niet aan toekomt:

“Onderhoudt ze [de bepalingen van de wet] dan naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie. Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de Here, onze God, telkens als wij tot Hem roepen? En welk groot volk is er, dat inzettingen en verordeningen heeft zo rechtvaardig als heel deze wet, die ik u heden voorleg” (Deut. 4:6-8).

Zo was het ook onder Salomo. De koningin van Scheba kwam “van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen” (Matt. 12:42). Maar in het algemeen is het niet tot prediking gekomen.

Omdat het volk heeft verzuimd om te prediken en Gods naam bekend te maken is God een nieuwe koers ingeslagen met zijn volk. Als zij niet in woorden wilden getuigen dan zouden zij met hun geschiedenis getuigen. In alles wat hun zou overkomen zouden zij een levend getuigenis zijn van het feit dat God met hen werkte:

“Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is, daarom, zie, Ik ga voort wonderlijk met dit volk te handelen, wonderlijk en wonderbaar” (Jes. 29:13-14).

En zo gebeurde het. Zodat God, in een quasi-dispuut met de afgoden, het volk als getuige kon oproepen:

“Ik heb verkondigd, verlost en doen horen, en ben geen vreemde onder u; gij toch zijt mijn getuigen, luidt het woord des Heren, en Ik ben God” (Jes. 43:12).

Zij waren getuigen met hun nationale geschiedenis, doordat zij in ballingschap zijn gegaan en teruggekeerd, verlost; doordat zij over de wereld verstrooid zijn en toch niet verloren of in de volken opgegaan; doordat zij uit hun land zijn verdreven en toch weer daarheen teruggekeerd. En dat alles zoals door God voorzegd en door zijn profeten verkondigd. Dat zou de wereld moeten overtuigen van zijn bestaan en van het feit dat dit volk ondanks alles nog steeds zijn volk is. Maar veel van de christelijke wereld ziet het niet, wil het niet zien, omdat zij sedert lang de theorie heeft ontwikkeld dat de kerk het nieuwe Israël is en dat alleen de strafaankondigingen voor dat oude volk gelden, terwijl de heilsaankondigingen voor het ‘nieuwe Israël’ gelden. Of, in één geval, dat niet dat oude volk maar zijzelf de getuigen zijn waar God in Jesaja over spreekt. Zij zijn niet bekend, of willen niet bekend zijn, met Paulus’ uiteenzetting in zijn brief aan de gemeente te Rome dat wij, niet-Joden, slechts ingeënte takken zijn op de Joodse stam, en dat de verworpenen weliswaar weggesnoeid zijn, maar dat God ook ons weer kan wegsnoeien als wij ons te hoogmoedig beroemen tegen de oude, natuurlijke takken (Rom. 11:17-24). En wie meent dat hij Gods instemming heeft als hij dit volk vervolgt, moet bedenken dat nog steeds geldt wat God tegen Abraham zei:

“Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken” (Gen. 12:3).

Maar terug naar dat volk zelf. God laat zijn plannen niet dwarsbomen door een ongehoorzame natie. Als straks de nieuwe Koning regeert in zijn nieuwe Koninkrijk zal het de taak van het oude volk zijn om alsnog de oude taak uit te voeren:

“Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en gebieder der natiën. Zie, een volk dat gij niet kendet, zult gij roepen, en een volk dat u niet kende, zal tot u snellen ter wille van de Here, uw God, en van de Heilige Israëls, omdat Hij u verheerlijkt heeft” (Jes. 55:4-5).

En:

“In die dagen zullen tien mannen uit de volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is” (Zach. 8:23).

+

Voorgaande:

De Ekklesia #1 De uitgeroepenen

De Ekklesia #2 De Gemeente van het Oude Verbond

De Ekklesia #3 Het koninkrijk

De Ekklesia #4 De troon van David en De gezalfde des Heren

++

Aanbevolen lectuur

  1. Jehovah kan hem staande houden
  2. Andere aanpak in de organisatie van de diensten # 3
  3. Meerderheid protestantse kerken zit op zwart zaad
  4. Kerk van eenzelfde lichaam levendig houden of laten groeien
  5. Samen werken aan een Open Gemeenschap
  6. Op zoek naar spiritualiteit 7 Prediking van het goede nieuws
  7. Aankondigingsweek in Nederland
  8. Zendingsdag HHK: Predikant is als een soldaat
  9. Intenties van de ecclesia
  10. Hoe moeten we prediken?

+++

Verder gerelateerd

  1. Preek: Josua 8:30-35 Is daar belangriker dinge as om grond en besittings te verower ?
  2. Preek: Psalm 2:10 Wees gewaarsku – ook oor godsdiens op skole
  3. Skrifoordenking: Markus 1:35-39 – Predikers wat bid

+++

Geplaatst in Christen zijn, Geschiedenis, Godsdienst, Levensvragen, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

De Ekklesia #4 De troon van David en De gezalfde des Heren

De troon van David

In Hoofdstuk 5 hebben we gezien dat er belangrijke beloften zijn gedaan aan Abraham. Maar ook aan David is door God een belofte gedaan. Als David het plan opvat om een tempel voor God (in de taal van het OT: een ‘huis’ voor God) te bouwen wordt hem dat door God belet: zijn zoon Salomo is uitverkoren om die taak te volbrengen. Maar in plaats daarvan geeft God aan David de belofte dat Hij hèm een ‘huis’ zal bouwen, dwz. een koninklijke dynastie:

“Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vaststaan voor altijd” (2 Sam. 7:16).

David heeft begrepen dat hier weliswaar gesproken werd van een dynastie, maar dat de belofte toch vooral betrekking moest hebben op het ‘enkelvoudige zaad’ uit de beloften aan Abraham (zie hoofdstuk 5, ‘Een goddelijk plan’). Zo sloegen ook de volgende woorden weliswaar in de eerste plaats op zijn zoon Salomo, maar daar overheen op de grote toekomstige Koning:

“Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen” (2 Sam. 7:12-13).

Gedurende de volgende generaties wordt het koningschap over Juda, vooral bij de profeten, dan ook dikwijls aangeduid als ‘de troon van David’. Toch kwam er na eeuwen van afval een einde aan het koningschap op de troon van David. Niettegenstaande Gods belofte ging tenslotte de ‘laatste’ koning uit het geslacht van David in ballingschap, doch niet zonder een belofte van herstel:

“… totdat hij komt, die er recht op heeft en aan wie Ik [God] het geven zal” (Ezech. 21:27).

En zo wordt in een aantal profetieën ook van de komende grote Koning gezegd dat Hij zal zitten op de ‘troon van David’ (zie bijv. Jes. 9:7). Als zijn geboorte wordt aangekondigd, luidt de boodschap:

“Zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jakob [Israël] heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen” (Luc. 1:31-33).

Hij zou de grotere ‘Salomo’ zijn. Hij zou de Here een ‘huis’, een tempel bouwen, niet bestaande uit stenen, maar uit mensen van vlees en bloed (zie hoofdstuk 14, ‘De Gemeente van het Nieuwe Verbond’). En zo diende het koninkrijk onder David en vooral onder Salomo als een beeld van het komende vrederijk dat zal worden gevestigd door de grotere dan David en Salomo. Waarbij het ook dan zo zal zijn dat God de eigenlijke Koning is en dat de Koning op aarde zal regeren in zijn naam.

 

De gezalfde des Heren

Vanaf de tijd dat God Saul had aangewezen als de eerste koning van Israël werd de koning in zijn ambt bevestigd door hem te zalven, dwz. door de heilige zalfolie uit te gieten over zijn hoofd. De koning stond daarmee bekend als ‘de gezalfde des Heren’. Tot aan die tijd werd alleen de hogepriester in zijn ambt bevestigd door zalving. De term ‘de gezalfde des Heren’ slaat dus bij uitstek op de leiders van het volk, zij die zijn aangesteld om het volk in Gods naam te leiden. Zo zou ook de grote Koning een ‘gezalfde’ des Heren zijn, in het Hebreeuws van het OT een ‘Messiah’, in het Grieks van het NT een ‘Christos’. Dat laat nog de vraag open of Hij een hogepriester zou zijn of een koning, maar reeds in het OT zijn er passages die er op duiden dat Hij beide zou zijn (iets wat onder de Wet niet kon), en het NT bevestigt dat. Hij zou echter niet gezalfd zijn met olie. Ook hier was het Oudtestamentische ritueel slechts een beeld. Zijn zalving zou er een zijn met Gods Geest, dwz. Gods kracht. We zagen dit al aangekondigd in de vijfde profetie aangaande de Knecht des Heren in hoofdstuk 7 (“De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft”), een vers dat Jezus citeert als inleiding op zijn toespraak in de synagoge te Nazaret (Luc. 4:18). De apostel Petrus verwijst daarnaar, als hij in zijn toespraak tot de Romeinse hoofdman Cornelius zegt:

“Gij weet … van Jezus van Nazaret, hoe God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd” (Hand. 10:38).

+

Voorgaande:

Het begin van Jezus #4 Aangekondigde te komen Verlosser

De Verlosser 3 Zijn menselijke kant

Verlossing #8 Gerechtigheid door geloof

De Ekklesia #1 De uitgeroepenen

De Ekklesia #2 De Gemeente van het Oude Verbond

De Ekklesia #3 Het koninkrijk

++

Aanvullende lectuur

  1. Jezus van Nazareth #6 Zijn unieke macht
  2. Wereld waarheen? #3 De Wortelscheut van David
  3. De Knecht des Heren #5 De Gezalfde gezant

+++

Aanverwante lectuur

  1. #Woordvrouw 1: Eshet-Chayil
  2. Phillip Medhurst’s Bible in pictures 067 David, fleeing from Jerusalem, is cursed by Shimei
Geplaatst in Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 8 reacties

De Ekklesia #3 Het koninkrijk

Het koninkrijk

 Tijdens hun reis door de woestijn stond het volk onder leiding van de door God aangewezen leider Mozes. Deze vertegenwoordigde God bij het volk, want God zelf was hun eigenlijke leider. Maar Mozes was niet in staat het volk het beloofde land binnen te voeren, omdat hij eenmaal onbedachtzaam gesproken had en God ‘niet de eer gegeven had’ toen hij voor het volk water uit de rots tevoorschijn deed komen. In zijn plaats moest Jozua het volk de Jordaan over leiden naar het land. Er zit een duidelijke symboliek in het feit dat Mozes, wiens naam onverbrekelijk is verbonden met de Wet, niet in staat was het volk het land binnen te leiden en dat dat moest gebeuren door een man die in beproeving trouw was gebleken (één van de twee oorspronkelijke getelden die niet gestorven waren in de woestijn) en wiens naam gelijk was aan die van Jezus. Maar daar kunnen we hier nu niet verder op ingaan. Eenmaal in het land had het volk geen eigenlijke leider. Het stond onder de door God gegeven Wet, waarvan de uitvoering lag in handen van de priesters. Alleen in tijden van nood gaf God hun een leider om hen voor te gaan in hun strijd tegen hun vijanden. Deze leiders werden aangeduid met het woord ‘richter’; het volk ‘richten’ betekende: het volk leiden in overeenstemming met Gods Wet.

 

Deze toestand beviel het volk niet, zodat zij aan de laatste richter, Samuël, vroegen om over hen een koning aan te stellen. Samuël zag hierin een motie van wantrouwen tegen zijn optreden, maar God wees hem erop dat ze in feite Hem (God) hadden verworpen als hun eigenlijke koning:

“De Here zeide tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn” (1 Sam. 8:7).

Weliswaar was in de wet reeds voorzien dat er op een gegeven moment een koning zou komen, maar het motief van het volk deugde niet:

“Zie, gij zijt oud geworden … Stel nu een koning over ons aan om ons te richten, als bij alle andere volken” (1 Sam. 8:5).

Hun motief was dat Samuël oud was geworden en dat er iemand in zijn plaats moest komen die die functie waardig was, maar zij vertrouwden kennelijk niet op God, dat die erin zou voorzien. Maar bovenal: zij wilden daarin gelijk zijn aan de volken rondom hen. Dat was een flagrante ontkenning van hun bijzondere positie als Gods volk, als zijn gemeente van gelovigen, door Hemzelf geleid.

David speelt harp voor Saul, schilderij van Rembrandt

Eerste koning van de Israëlieten, zoon van Kisj afkomstig van de stam Benjamin – David speelt harp voor Saul, schilderij van Rembrandt

God antwoordde het volk door een koning aan te wijzen zoals zijzelf die zouden hebben uitgekozen: Saul uit Benjamin. Dat bleek dan vervolgens niet de juiste man te zijn. Vervolgens koos God een man die het volk zelf nooit zou hebben gekozen: David, een herdersjongen uit Juda. Hij wordt beschreven als

“een man naar mijn [Gods] hart” (Hand. 13:22, zie ook 1 Sam. 13:14).

Salomonsoordeel, fresco in Styria (Oostenrijk)

Salomonsoordeel, fresco in Styria (Oostenrijk)

Hij vestigde Gods heerschappij over het volk en consolideerde de grenzen van het rijk. Zijn zoon Salomo (= man van vrede) bracht het rijk tot grote bloei in een tijd van bestendige vrede. Hij bouwde een tempel voor de eredienst, en de roep van zijn wijsheid ging uit over de gehele toenmalige wereld. Maar ook deze koningen dienden te regeren alsof zij slechts regenten waren die regeerden in de naam van de echte Koning, God. David zei over Salomo:

“Uit al mijn zonen verkoos Hij [God] mijn zoon Salomo om te zitten op de troon van het koningschap des Heren over Israël” (1 Kron. 28:5).

En Salomo sprak, na zijn troonsbestijging, in een gebed tot God over zijn volk als ‘uw volk’ (1 Kon. 3:9). In de wet van Mozes was voorgeschreven dat als er een koning zou komen, die een afschrift van de Wet moest laten maken (volgens sommige vertalingen moest hij dat zelfs eigenhandig doen; zie bijv. de SV) om daarin dagelijks te lezen,

“opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links” (Deut 17:18-20).

Het is duidelijk dat voor de koning, meer nog dan voor het gewone volk, gold dat hij moest leven met Gods woord in zijn hart.

+

Voorgaande:

De Ekklesia #1 De uitgeroepenen

De Ekklesia #2 De Gemeente van het Oude Verbond

Vervolg: De Ekklesia #4 De troon van David en De gezalfde des Heren

++

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , | 8 reacties

De Ekklesia #2 De Gemeente van het Oude Verbond

De Gemeente van het Oude Verbond

Het verbondsvolk in het OT diende als beeld van het komende Koninkrijk. De gezalfde koningen en hogepriesters beeldden de latere Gezalfde uit, die Gods speciale Koning en Hogepriester zou zijn. Daarnaast had het volk de opdracht om te getuigen, een taak die het straks opnieuw zal hebben.

De originele Ecclesia en Synagoga van het portaal van de kathedraal van Straatsburg, nu in het museum en vervangen door replica’s

Logo

Logo (Photo credit: Wikipedia)

Het verbondsvolk van het Oude Testament ontstond in Egypte in ballingschap. Hun bestaan als Gods volk nam een aanvang bij de uittocht. In de eerste vijf boeken van de Bijbel, de zgn. boeken van Mozes, wordt het volk ruim 100 maal aangeduid met het woord ‘vergadering’ (Hebr.: edah), wat aanduidt dat het volk in Gods ogen meer was dan zomaar een volk; het was een door Hem bijeenvergaderde groep mensen die waren voorbestemd om zijn Naam in de wereld bekend te maken. Het Hebreeuwse woord duidt op een vergadering van aangewezen mensen. In de rest van het OT komt het woord nog een twintigmaal voor. Maar het woord dat in de rest van het OT bij voorkeur gebruikt wordt is het Hebreeuwse woord qahal, dat in onze Bijbel is vertaald met ‘gemeente’. Het betekent de ter vergadering geroepenen. In de eerste vijf boeken komt het reeds 25 maal voor, maar in de rest van het OT ruim 70 maal. Het heeft de sterke bijbetekenis van ‘door God geroepen zijn’. De Septuaginta, de Griekse vertaling van het OT die in de derde en tweede eeuw voor onze jaartelling is ontstaan, gebruikt voor deze twee Hebreeuwse woorden de Griekse woorden sunagogè, waar het latere Joodse woord synagoge van is gekomen, en ekklesia, dat in de Griekse wereld sloeg op de wettige volksvergadering (lett.: de ter vergadering geroepenen). Er is echter geen één op één verband tussen de twee Hebreeuwse woorden en de twee Griekse woorden, wat aangeeft dat de Joodse vertalers de woorden kennelijk als onderling verwisselbaar beschouwden.

The Mozes en Aäronkerk (Mozes en Aäronchurch) ...

De Mozes en Aäronkerk (Mozes en Aäronchurch) in Amsterdam, Holland. (Photo credit: Wikipedia)

+

Voorgaande:

Dienende geesten 1 Afgezanten van onzichtbare God

De Ekklesia #1 De uitgeroepenen

Verlossing #4 Het Paaslam

++

Aanvullende lezing

  1. Getuig van het gehoorde
  2. Het scheuren van het voorhangsel
  3. Verkondigen van Evangelie opgetekend in de Bijbel
  4. Wat verstaan wij onder catechese
  5. De betrokkenheid van geniaal leerlingschap
  6. Jozef uit Egypte
  7. Wereld waarheen #1 Terug naar Egypte
  8. Wereld waarheen? #2 Gebed om de komst van de koning
  9. #3: Wereld waarheen 3 De Wortelscheut van David
  10. Studiedag over de Vreugdebode van het Evangelie
  11. Jesaja profeet en boodschapper van God
  12. Grote dingen die werden gehoord en gezien
  13. Wonders gegeven vanaf oude tijden om God te leren kennen
  14. De verdwijnende heerlijkheid
  15. De knecht des heren 4 De verlosser
  16. De knecht des heren 5 De gezalfde gezant
  17. Verzamelen, bijeenkomen, samenkomen, vergaderen
  18. Congregatie
  19. Een gemeente van volkeren
  20. Bezieling gemeente
  21. Dagelijks helpen in het geloof
  22. Wat levert het mij op?
  23. Filippenzen 1 – 2

+++

Verder aanverwante lectuur

  1. Preek: Titus 1:1-4 (deel 1) Ons verlossing deur Christus is vanuit die ewigheid beloof deur die Vader
  2. Die HERE dink aan sy verbond
  3. Die Verbondsleer gehandhaaf teenoor die individualistiese Metodisme – Totius
  4. Verantwoordelikheid en Voorwaardes in die Verbond – die debat tussen die Vrygemaakte kerke (Schilder) en die PRCA (Hoeksema)
  5. Die Kerk (5) – Die gebruik van die woord ‘kerk’ in die Nuwe Testament
  6. Die Kerk (6) – Kerk in die plaaslike sin
  7. Die Kerk (7) – Kerk in universele sin

+++

Geplaatst in Geschiedenis, Kerkopbouw | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 14 reacties

De Ekklesia #1 De uitgeroepenen

Het verbondsvolk van God is altijd een minderheid geweest in een grotere wereld waarin het trouw moet blijven aan zijn roeping. Onder het Oude Verbond vormde het een staatkundige eenheid. Onder het Nieuwe Verbond bestaat het uit individuele gemeenschappen van vrijwillig toegetredenen, die verspreid zijn over de naties. Na de wederkomst van de Verlosser zal er een wereldwijd Koninkrijk ontstaan, onder zijn koningschap.

  • Rudolf Rijkeboer

Heinrich Hofmann. Gegenwart des Herrn. Gedenke Mein – Bild 14. Original drawing in pencil. Matthew 18:20.

**

De volgelingen van de Joodse Nazareen Jeshua (Jesus of Jezus Christus) die zich houden aan zijn leer en ter erkenning van zijn naam zich verenigen onder de naam Broeders in Christus of Christadelphians, vormen in een gemeenschap van broederlijke liefde een ekklesia of ecclesia.

De ecclesia vormt de gemeente of gemeenschap van gelijkgezinde Broeders en Zusters in Christus. In die gemeenschap van jong en oud wordt er aandacht geschonken aan gemeenschapszin en verbondenheid met Christus Jezus door het Woord van God onder de leiding of toetssteen Jezus Christus. Hij is de spil van de gemeenschap, het hoofd en hoeksteen van de vergadering van gelovigen, die deel uit maakt van het Lichaam van Christus.

Nederlands: Foto. Europeanen, onder wie de hee...

Samen komenden – Foto. Europeanen, onder wie de heer M.C. Westerman en zijn vrouw Kitty, bijeen in de tuin, Nederlands-Indië (Photo credit: Wikipedia)

“Ekklesia” is het Griekse en Nederlandse woord dat staat voor wat vroeger een volksvergadering werd genoemd; de ‘kaleo’ of ‘samen geroepenen.’ en ‘ek’  betekenend ‘van’ welk werd gebruikt om te verwijzen naar een groep van samen geroepenen. De volgelingen van Jezus wensten, zoals Jezus met zijn Joodse broeders samen kwam in de synagoge, ook samen te komen om met elkaar van gedachten te wisselen en Gods Woord te bestuderen, en werden opgeroepen om op plaatsen en in huizen samen te komen om als ‘opgeroepenen’ in gemeenschap een bepaalde tijd door te brengen.

‘Ecclesia’ = volksvergadering, samenroeping, ‘uit-geroepenen’. Ecclesia betekent letterlijk weg-roeping of bijeen-roeping. Aldus moet onder “Ecclesia” de groep van mensen verstaan worden die als het ware door God zijn uitgeroepen, weggeroepen en bijeen zijn geroepen.

Als wij naar de geschriften kijken van onze eigentijdse tijdrekening zien wij dat zoals in de Messiaanse geschriften of het Nieuwe Testament ecclesia meestal gebruikt wordt voor de uit de inwoners van de wereld bijeengeroepen burgers van het koninkrijk Gods.

Zij die Jezus aanvaard hebben als hun Verlosser voelen zich onder zijn leiderschap geroepen om samen te komen in een vergadering. Die oproep van Jezus om te vergaderen is algemeen, uitgaande naar alle volkeren. Aldus zijn wij geroepen en vergaderd uit de volken. Wij zijn nu het volk van God, de vergadering van de Heer. ‘Ecclesia’ kan het volgens sommigen beste vertaald worden door ‘vergadering’ terwijl anderen er de voorkeur aan geven het te vertalen als ‘gemeente’.

In wezen komt het er op aan dat de ecclesia wordt gevormd door gelijkvoelende geesten. Mensen die in eenheid van geest graag samen komen en naar de buitenwereld aantonen dat zij verbonden zijn met elkaar, en dit in het bijzonder door één en hetzelfde geloof in Jezus Christus.

Men kan ook de ecclesia als een ‘kerk‘ beschouwen.
Het woord ‘kerk’ komt volgens de meeste geleerden van de term ‘ecclesia kuriake” = vergadering van de Heer. Het woord ‘Kurios’ betekent Heer. Een heer is iemand die wettig gezag over anderen heeft. Zodoende zijn er mensen die de voorkeur geven aan het woordje ‘Kerk’ dat zij dan gebruiken om die gelovigen als groep  maar ook hun bijeenkomstplaats te nomen. De groep gelovigen is dan de ‘kerkelijke gemeente’ waarnaast het gebouw waarin ze hun erediensten houden het ‘kerkgebouw’ is.

Français : Détail de la mosaique ecclesia mate...

Français : Détail de la mosaique ecclesia mater de Tabarka au Bardo (Photo credit: Wikipedia)

Als wij het over de ecclesia hebben, hebben wij het meestal over de gemeenschap van gelovigen. Wanneer wij het over de vergaderplaats van de ecclesia hebben spreken wij over de ecclesia hal of vergaderplaats, koninkrijkszaal of noemen meestal de naam van de plaats of makkelijkheidshalve voor anders gelovigen spreken wij ook wel eens over de ‘kerk’.

  • Marcus Ampe

+

Voorgaande:

Boek der boeken en groot meesterwerk

Redding, vertrouwen en actie in Jezus #6 Samenhoren

Dienende geesten 1 Afgezanten van onzichtbare God

Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel

++

Aanvullend

  1. De Bijbel als Gids
  2. Jehovah steile rots en vesting, bron van inzicht
  3. Eerste Eeuw van het Christendom
  4. Positie en macht Geschiedenis van het Christendom 1. De vroege dagen van het Christendom
  5. Zoek uw Toevlucht bij God
  6. Omtrent bijeenkomen en vergaderen
  7. Opbouw van een ecclesia
  8. Opbouw van een ecclesia en verbonden kosten
  9. Filippenzen 1 – 2
  10. Een gemeente van volkeren
  11. Structuur -structuren
  12. Vergadering – Meeting
  13. Meeting – Vergadering
  14. Verzoening en Broederschap 1 Getrouwheid en vergoeding
  15. Verzoening en Broederschap 2 Uit de eigen cocon stappen
  16. Verzoening en Broederschap 7 Eén zijn
  17. Verzoening en Broederschap 8 Samenkomende deelgenoten
  18. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #6 Gebed #4 Atttude
  19. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #17 Soorten van gebed
  20. Gezelschap in de kerkgemeenschap
  21. De voordelen van een kleine gemeenschap of een huiskerk
  22. Wat levert het mij op?
  23. Minimaliseren van Gods Kracht de Heilige Geest
  24. Het scheuren van het voorhangsel
  25. Ademen om les te geven
  26. Op weg naar 2014-2015
  27. Begin Academisch Jaar

+++

Verder aanverwante lectuur

  1. Verbondenheid 
  2. Conflict en theologie
  3. Ontstaan en evolutie van het quakerisme
  4. Verandering in de traditionele kerk
  5. Kerken
  6. Die Kerk (7) – Kerk in universele sin
  7. Die Kerk (8) – Verband tussen Ecclêsia Universalis en Particularis
  8. Die Kerk (13) – Die Kerk en die Kerke
  9. Die Kerk (14) – Die Kerk en sy ekumeniese roeping volgens die Nuwe Testament
  10. Populistische politiek van de ChristenUnie
  11. Christen-populisme helpt niet. Christelijke spelregels voor geloofwaardig optreden
  12. Religekkies: de eeuwige identiteitscrisis
  13. Aan Jou – die leser – Genade en VredeThe House That God Built
  14. Ekklesia
  15. Ekklesia Rediscovering God’s Instrument for Global Transformation by Ed Silvoso discusses the importance of the church, the church’s true design, and how the church can transform the worldWhat does ekklesia mean?
  16. The Ekklesia by Dutch Sheets (Audio)
  17. ¿Qué es la iglesia?
  18. Ecclesia Chronicles 106: What is the meaning of the term “Ecclesia”?
  19. Ecclesia Chronicles 107: The Ecclesia of Christ
  20. Phillip Medhurst presents drawings of Christ by Heinrich Hofmann colourised 17 where two or three are gathered together
  21. The Paul of 1 Corinthians
  22. Let’s Stop Playing Church!
  23. Is There Only One Church? — Stephen Scaggs
  24. Christian Nationalism
  25. My Local Church and Me
  26. That They May All Be One
  27. “If God is everywhere, what do I go to Church for?”

+++

Geplaatst in Christadelphian, Geschiedenis, Religie, Wereld | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 13 reacties

Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel

Addendum 2: eeuwig branden in de hel?

Lezers die de gelijkenissen, die wij geciteerd hebben, hebben opgezocht zullen hebben bemerkt dat in veel gevallen het ‘ondeugdelijke’ wordt verbrand. In Matt. 13 gebeurt dat met het onkruid uit de akker en in de toepassing van het ondeugdelijke uit het sleepnet; in Matt. 25 wordt dat aangekondigd aan de verworpenen (vs. 41). In dat laatste geval wordt zelfs gesproken van ‘eeuwig’ vuur. Dat heeft sommigen ertoe gebracht te geloven in een eeuwige pijniging met vuur van ongehoorzame zielen.

File:Hortus Deliciarum - Hell.jpg

De Hel – Herrad of Landsberg (1125–1195)

Het eerder genoemde vagevuur is alleen maar een in de tijd begrensde versie hiervan. Die gedachte van een eeuwige pijniging in vuur komt mede voort uit de idee dat de ziel onsterfelijk is en, ook voor God, onvernietigbaar. Daar hebben we al over gesproken in het vorige hoofdstuk. In de Bijbel is vuur altijd een symbool van ofwel loutering, zoals goud door vuur gelouterd (veredeld) wordt, ofwel van totale vernietiging (de ‘tweede dood’). Als loutering wordt het beeld gebruikt voor wat ons mogelijk overkomt in dit leven, tijdens onze ‘training’. In de aangehaalde gelijkenissen kan vuur echter alleen maar slaan op totale vernietiging. In het gebruikte beeld is het vuur wel eeuwig, maar wat erin geworpen wordt verbrandt, juist omdat het vuur niet uitgaat, tot de laatste snipper.

File:Gabelbach St. Martin 389.JPG

Vagevuur – Fresko der Langhauskuppel von Alois Mack, Stuckdekor von Johann und Ignaz Finsterwalder, von 1738 (überarbeitet); Darstellung: Maria mit Jesuskind auf dem Schoß, das einen Gürtel in der Hand hält; Engel, die Gürtel halten; unten: Fegefeuer; umrahmt von Inschriften in Stuckkartuschen (Bruderschaftsbild der 1692 gegründeten Gürtelbrüderschaft Maria Trost)

Ter illustratie geven we hier de oorsprong van deze idee. In Jes. 34 wordt gesproken over een grote slag die wordt uitgevochten in de omgeving van het land Israël. Om redenen die ons nu te ver zouden voeren moeten we aannemen dat het hier gaat om een laatste aanval op het Joodse volk (zie hoofdstuk 15), en mogelijk zelfs tegen de teruggekeerde Messias Zelf, ten tijde van Christus’ terugkomst. De aanvallende legers zullen worden vernietigd en hun lijken zullen worden begraven in een dal in wat vroeger het land van Edom was. In Jes. 2 wordt gezegd dat in het Koninkrijk de volken der wereld regelmatig zullen opgaan naar Jeruzalem, de nieuwe hoofdstad der wereld. In Jes. 66 wordt vermeld dat diegenen die opgaan naar Jeruzalem

“zullen uitgaan en de lijken aanschouwen der mannen, die van Mij [God] afvallig geworden zijn” (vs. 24).

Dat wil kennelijk zeggen dat zij zullen uitgaan en de begraafplaatsen aanschouwen van de vernietigde legers in het land van Edom, niet ver van Jeruzalem. In Jes. 34 wordt van Edom gezegd dat het voor eeuwig woest zal liggen en dat het voor eeuwig een land zal zijn van brandend pek

“dat dag noch nacht uitgaat; voor altijd stijgt zijn rook op” (vsn. 9-10).

In overeenstemming daarmee wordt in Jes. 66 gezegd van de ‘afvallig geworden mannen’:

“want hun worm zal niet sterven, en hun vuur niet uitdoven, en zij zullen voor al wat leeft een afgrijzen wezen” (vs. 24).

De bedoeling is kennelijk dat er zoveel lijken liggen dat de wormen er voor jaren genoeg aan hebben en dat de brand, zoals gezegd in Jes. 34, eeuwig is. Jezus citeert deze woorden in Marc. 9. Hij zegt daar dat we alles moeten wegdoen wat ons tot zonde zou kunnen verleiden, omdat het beter is lichamelijk gehandicapt in te gaan in het koninkrijk dan met een heel lichaam in de hel te worden geworpen

“waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust” (Marc. 9:48).

Hij spreekt hier niet van onsterfelijke zielen (hooguit van onsterfelijke wormen, voor wie de passage al te letterlijk neemt), maar verwijst duidelijk naar de achtergrond van Jesaja. Er zijn maar twee categorieën: zij die in opstand gekomen zijn tegen God en zijn Gezalfde, en zij die in het Koninkrijk zullen aanbidden.

Wat de uitdrukking ‘hel’ betreft, dit woord duidt in het NT het dal Hinnom aan, ten zuiden van Jeruzalem, waar het huisvuil van de stad werd verbrand, en waar in principe ook de lichamen van terechtgestelde misdadigers werden verbrand (het vergriekste Hebreeuwse woord gehenna). Voor de verblijfplaats van de doden gebruikt het NT het woord ‘dodenrijk’, als beeld van een imaginaire (denkbeeldige) wereld waar de gestorvenen (alle gestorvenen) zouden verblijven (het Griekse woord hades). Dat kan eigenlijk het beste vertaald worden met ‘graf’, en in sommige vertalingen is dat ook zo gedaan.

 

Volledigheidshalve zouden we nog moeten wijzen op een passage in het boek Openbaring, waar inderdaad sprake is van eeuwige pijniging met vuur (Op. 20:10). Maar Openbaring is een boek met veel symbolische taal. En reeds het feit dat in dit vuur de ‘duivel’ (de zonde), de valse kerk, en het goddeloze verbond van staten, dat tegen God in opstand is gekomen, worden gepijnigd, en dat in ditzelfde vuur de dood en het dodenrijk worden vernietigd, zou ons moeten waarschuwen tegen een al te letterlijke opvatting van deze passage. Meer valt daar in dit bestek niet over te zeggen. Over Openbaring is door mij een ander boek geschreven.1)

 

 

1)   Zie voor een behandeling van Openbaring mijn boek “Jezus’ laatste boodschap”.

  • Rudolf Rijkeboer

+

Voorgaande

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 2 Scheiding van God

Schapen en bokken 1 Aangenomen, verworpenen en slaven

Schapen en bokken 2 Bruikbaar en onbruikbaar – Goede en slechte daden

Schapen en bokken 3 Addendum 1: Tweede kans

++

Aanvullende lectuur

  1. Staat God achter al het kwaad hier op aarde
  2. Leven gedefinieerd door de dood
  3. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 1
  4. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 2
  5. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 3 Leven, straf, dood en stof
  6. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 4 Verzet tegen God en Overeenkomstige prijs
  7. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 5 Toetssteen en steen van aanstoot
  8. dood
  9. Wat gebeurt er als wij sterven
  10. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  11. de staat van onze doden
  12. Hellevuur
  13. Sheol, Sheool, Sjeool, Hades, Hel, Graf, Sepulcrum
  14. Grave, tomb, sepulchre – graf, begraafplaats, rustplaats, sepulcrum
  15. Graf
  16. Vuur en vloed als teken
  17. Tekens op aarde en in de lucht
  18. Kinderen niet naar het voorgeborgte

+++

Verder aanverwante lectuur

  1. Om te sterwe
  2. Dood, die universele toestand
  3. Dood dierbaren brengt mensen soms dichter bij elkaar
  4. ‘n Skielike dood
  5. Om te rou
  6. vuur
  7. Hoe kan ‘n liefdevolle God mense hel toe stuur?

+++

Geplaatst in Bedenking, Bijbelonderzoek, Levensvragen, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Schapen en bokken 3 Addendum 1: Tweede kans

Addendum 1: is er een ‘tweede kans’?

Sommigen, verontrust over het feit dat het oordeel definitief is, hebben de theorie ontwikkeld dat zij die daarbij afgewezen worden een nieuwe kans krijgen om eeuwig leven te ‘verdienen’.
Hoe bijbels is nu zo’n idee?

Wel, het heeft alles te maken met de opvatting dat het doel van het geloof is om mensen tot behoudenis te brengen. Daar komt ook de belangstelling uit voort voor de persoonlijke verlossing, waarover we spraken aan het eind van hoofdstuk 5. In zo’n benadering is iedere behouden ziel er een. Maar zoals we gezien hebben is dat niet Gods doel met de Schepping zoals verklaard in de Bijbel. Iemand die zo’n ‘tweede kans’ zou aangrijpen kan alleen maar iemand zijn die niet bereid was zich in te spannen voor zijn Heer, de derde slaaf uit de gelijkenissen van de talenten en de ponden. Pas wanneer het hem duidelijk wordt dat hij daar persoonlijk bij verliest, is hij bereid zich in te spannen. Het gaat hem uitsluitend om zijn eigen gewin. Dat maakt hem nog steeds geen bruikbare dienaar; hij blijft ondeugdelijk. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat de Bijbel niets weet van zo’n tweede kans.

 

Na de ‘constantinische omwenteling’ (zie hoofdstuk 1) is er nog een andere theorie ontwikkeld, die van het zgn. vagevuur. Zielen die niet volmaakt genoeg zouden zijn om te worden aangenomen, zouden gestraft worden door kortere of langere tijd te moeten doorbrengen in een vuur dat pijnigt, maar niet vernietigt. Volgens Verduin (zie hoofdstuk 1) is die gedachte ontwikkeld omdat de kerk in die tijd allen omvatte die op Europees grondgebied woonden (ipv. de bijbelse gemeente, welke bestond uit vrijwillig toegetredenen). Die kerk maakte geen onderscheid tussen gelovigen en (feitelijk) ongelovigen. Het leek dan niet logisch dat er na de dood toch weer onderscheid zou worden gemaakt tussen mensen die aangenomen en anderen die afgewezen zouden worden. Dat werd op deze wijze opgelost, zodat uiteindelijk toch weer allen behouden konden worden. Deze theorie sluit aan bij de gedachte dat bij het oordeel onze zonden worden afgewogen tegen onze ‘goede daden’, waarbij dan in het vagevuur onze zonden zouden worden ‘weggebrand’, maar niet bij de bijbelse voorstelling van het leven als leerschool. Wie zich in dit leven niet heeft laten opleiden tot een bruikbare dienaar wordt ook door een pijniging in een vagevuur niet tot een ander mens. Opnieuw spruit deze voorstelling voort uit een behoefte aan individuele verlossing, maar niet uit de bijbelse gedachte dat Christus in ons gestalte moet verkrijgen, zodat wij in het Koninkrijk bruikbaar zullen zijn om in de tijd daarna God te kunnen verheerlijken als wezens die, hoe gebrekkig ook, uit eigen vrije keuze zijn kant hebben gekozen. Opnieuw hoeft het ons dus niet te verbazen dat de Bijbel niets weet van zo’n vagevuur.

 

Weer anderen wijzen op de tekst in de tweede brief van Petrus, die zegt

‘dat God niet wil dat sommigen verloren gaan’

en concluderen daaruit dat uiteindelijk allen behouden zullen worden, want ‘als God iets niet wil dan gebeurt dat niet’. Dit getuigt van oppervlakkig lezen. De passage zegt voluit:

“De Here talmt niet met de belofte [van Jezus’ terugkomst], al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” (2 Pet. 3:9).

Petrus legt hier uit waarom Christus’ wederkomst nog uitblijft: het geeft meer mensen de gelegenheid om tot bekering te komen. En het zal de lezer niet ontgaan dat die bekering in dit leven plaats moet vinden. Zodra Jezus terugkomt is die gelegenheid voorbij.

+

Voorgaande:

Gods vergeten Woord 4 Verloren Wetboek 3 Vroege afdwalingen en de ‘Constantinische’ omwenteling

Verlossing #7 Christus levend in de gelovige

Verlossing #8 Gerechtigheid door geloof

Schapen en bokken 1 Aangenomen, verworpenen en slaven

Schapen en bokken 2 Bruikbaar en onbruikbaar – Goede en slechte daden

++

Aanvullend

+++

Verder aanverwante lectuur

  1. Repentance and conversion are not milestones which we pass on the way of life and never see again
  2. Die Heilsorde: van begin tot einde – Genade, alles Genade ! (deel 2: Bekering en Regverdiging)
  3. Holland of moslim? (Doorkruizen wat van toepassing is
  4. purgatory 
  5. Is There Limbo or Purgatory?
  6. The lie about Purgatory [403]
  7. Nicolaus responsio ad; de Purgatorio
  8. 3 Childhood Experiences that Taught Me about Purgatory
  9. Purgatory: A Lesson Taught By Christ?
  10. Lose
  11. Purgatory: A Deeper Understanding with the Church Fathers.
  12. Purgatory — Are Catholics Right
  13. Canto 9 Purgatory: Gates
  14. Eastern and Western Unity: Justice and the Hereafter
  15. God’s Wrath
  16. The case for Purgatory
  17. We still need the Reformation

+++

Geplaatst in Christen zijn, Godsdienst, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Levensvragen, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Schapen en bokken 2 Bruikbaar en onbruikbaar – Goede en slechte daden

Bruikbaar of ondeugdelijk

Lolium temulentum 002.JPG

Lolium temulentum, ook bekend als dolik, een eenjarige plant behorende tot de familie Poaceae of Grassenfamilie die ongeveer 1 meter hoog wordt en groeit in graanvelden.

In de serie van zeven gelijkenissen over het Koninkrijk in Matt. 13 zijn er twee die spreken over wat er zal gebeuren bij het oordeel. Dat is de gelijkenis over het onkruid tussen de tarwe en de gelijkenis over het sleepnet. De eerste gaat over een veld met tarwe, waartussen onkruid mee opgroeit. Daarbij gaat het om een bepaalde soort onkruid, nl. ‘dolik’ (het is jammer dat de NBG vertaling dat niet duidelijk maakt). Dit lijkt sprekend op tarwe, maar tegen de oogsttijd levert het geen bruikbare vrucht op. In de gelijkenis zegt de heer dan:

“Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur” (Matt. 13:30).

In de gelijkenis over het sleepnet luidt het slot:

“Wanneer het vol is, haalt men het op de oever, en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, doch het ondeugdelijke werpt men weg” (Matt. 13:48).

English: Lolium temulentum, Poaceae, Darnel, C...

English: Poaceae, Darnel, Cockle, habitus. The ripe, dried fruits are used in homeopathy as remedy: Lolium temulentum (Lol-t.) Deutsch: Lolium temulentum, Poaceae, Taumel-Lolch, Habitus. Die reifen, getrockneten Früchte werden in der Homöopathie als Arzneimittel verwendet: Lolium temulentum (Lol-t.) (Photo credit: Wikipedia)

Ook hier zal de toepassing duidelijk zijn. Het bruikbare, dat wat vrucht heeft gedragen, staat ten dienste van de heer van het land. Wat geen bruikbare vrucht gedragen heeft, of, in de termen van de andere gelijkenis, het ondeugdelijke, wordt weggeworpen of verbrand. Let op dat het hier niet gaat om een afweging van de goede delen tegen de slechte delen van hetzelfde ‘product’, dus van de goede en slechte daden van het individu. Het gaat om bruikbaar of ondeugdelijk. Het is niet zo dat onze goede daden op de ene schaal van de weegschaal worden gelegd en onze zonden op de andere en dat dat gekeken wordt wat zwaarder weegt. Als we ‘in Christus’ zijn zijn onze zonden hoe dan ook vergeven. Maar het gaat erom of we aan het eind van onze proeftijd bruikbaar zijn of niet. Als we bruikbaar zijn worden we aangenomen; dan ligt er straks voor ons een taak in Christus’ Koninkrijk. Zijn we ondeugdelijk dan worden we verworpen; we zijn dan simpelweg onbruikbaar.

De rechterstoel

De apostel Paulus schrijft, met gebruik van een iets ander beeld, aan de Korintiërs:

“Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad” (2 Kor. 5:10).

In zijn brief aan de gemeente te Rome spreekt hij in datzelfde verband over de rechterstoel Gods (Rom. 14:10). Dat slaat op hetzelfde oordeel, in overeenstemming met Jezus’ eigen woorden:

“Want gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven, wie Hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven” (Joh. 5:21-22).

In Matt. 25 staat een gelijkenis opgetekend die dit oordeel beschrijft. Het beeld is dat van twee groepen ‘gelovigen’ voor Christus’ rechterstoel, gescheiden

“zoals de herder de schapen scheidt van de bokken” (Matt. 25:32).

Tot de ene groep wordt gezegd:

“Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk,”

en tot de andere:

“Gaat weg van Mij, gij vervloekten.”

Als we vervolgens nagaan waarom de ene groep wel wordt aangenomen en de andere niet, dan blijkt dat dat gebeurt op grond van hun gedrag. De ene groep heeft, als het ware, Christus’ gezicht getoond aan hun medebroeders en -zusters; de andere heeft dat niet gedaan. Het gaat kennelijk niet om de leer of om de naam die wij dragen, maar om de vraag of Christus in ons gestalte heeft gekregen (zie blz. 57: ‘Gerechtigheid door geloof’).

Dit laatste punt wordt op diverse plaatsen in Jezus’ prediking verder uitgewerkt. In Lucas 10 komen de 70 discipelen terug van hun predikingsopdracht. Enthousiast vertellen ze:

“Here, ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in uw naam.”

In zijn antwoord zegt Jezus:

“Verheugt u niet hierover, dat de geesten zich aan u onderwerpen, maar verheugt u, dat uw namen staan opgetekend in de hemel.”

Ook al kunnen we wonderen verrichten in Jezus’ naam dan brengt ons dat op zichzelf nog niet in het Koninkrijk. Dat had Hij ook in de bergrede al aangeduid, toen Hij zei:

“Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage [kennelijk ten tijde van het oordeel] tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.” (Matt. 7:21-23).

Het gaat er kennelijk niet om dat wij ‘erbij geweest zijn’. Dat zou valse gerustheid geven. Wij moeten Christus hebben getoond in ons leven. En de meerderheid zal dan blijken niet aan dat criterium te hebben voldaan, want Hij had eerder gezegd:

“Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort, en smal is de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden” (Matt. 7:13-14).

Merk daarbij op dat het oordeel gaat tussen mensen die allen pretenderen van Christus te zijn geweest. Opstanding en oordeel zijn er alleen voor diegenen die ‘talenten’ of ‘ponden’ hebben gekregen om voor hun heer mee te handelen. Onder hen wordt afrekening gehouden. Het zou zinloos zijn om diegenen die zo’n opdracht niet hebben ontvangen, die de heer wellicht niet eens hebben gekend, verantwoordelijk te houden voor het feit dat Christus in hen niet gestalte heeft verkregen. Als we dat inzien, begrijpen we ook de driedeling die de profeet Daniël aanbrengt, als hij schrijft:

“Velen [dus niet allen] van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen” (Dan. 12:2).

Dit duidt de volgende drie categorieën aan:

  • Zij die niet opstaan (die niet behoren tot de ‘velen’)
  • Zij die opstaan en eeuwig leven ontvangen
  • Zij die opstaan en veroordeeld worden.

In overeenstemming daarmee zegt Matteüs:

“Dezen [de afgewezenen] zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen [dwz. zij die gerechtvaardigd zijn, zie hoofdstuk 6] naar het eeuwige leven” (Matt. 25:46).

Over die eeuwige straf spreekt het boek Openbaring als ‘de tweede dood’ (Op. 20:14, zie ook Op. 2:11). Dat kan alleen maar betekenen dat zij opnieuw, en nu voorgoed, zullen sterven. Deze straf is in die zin eeuwig, dat hij onomkeerbaar is. Van een eeuwige pijniging weet de Bijbel niets (zie Addendum 2).

+

Voorgaande:

Verlossing #7 Christus levend in de gelovige

Verlossing #8 Gerechtigheid door geloof

Schapen en bokken 1 Aangenomen, verworpenen en slaven

+++

Geplaatst in Christen zijn, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Schapen en bokken 1 Aangenomen, verworpenen en slaven

Inleiding: Aangenomen en verworpenen

Jezus heeft in zijn leer veel te vertellen over het oordeel dat bij zijn terugkomst zal beslissen over de vraag wie aangenomen zullen worden en wie verworpen. Het criterium daarbij is wie de leerschool van het leven zodanig heeft doorlopen dat hij een bruikbaar dienaar is geworden. Niet onze leerstellingen of onze kerkelijke gezindte zijn doorslaggevend, maar de vraag of Christus in ons gestalte heeft verkregen.

 

Nederlands: foto. Man en kinderen poseren met ...

Werkenden en hun beloning. – Man en kinderen poseren met bekroonde bokken (Foto credit: Wikipedia)

We hebben in het voorgaande hoofdstuk betoogd dat de mens volgens de Bijbel van nature sterfelijk is en dat eventuele onsterfelijkheid wordt verleend bij de opstanding uit de doden. Uiteraard wordt deze onsterfelijkheid alleen verleend aan diegenen die hun proeftijd met goed gevolg hebben doorstaan. De Bijbel heeft ons dan ook veel te vertellen over een oordeel dat te dien tijde plaats zal vinden, waarbij sommigen zullen worden aangenomen en anderen verworpen. Jezus spreekt daarover in een aantal gelijkenissen en het is dus kennelijk een belangrijk onderdeel van zijn boodschap.

Slaven met een opdracht

Allereerst is er een gelijkenis over een heer die geruime tijd op reis gaat en zijn slaven achterlaat met elk een som geld en de opdracht om daarmee te handelen. Bij zijn terugkomst houdt hij afrekening met hen en beloont of straft ze al naar gelang hun inzet. De gelijkenis komt in de evangeliën tweemaal voor, met duidelijke verschillen. Dat betekent kennelijk dat Jezus hem meerdere malen gebruikt heeft en bij verschillende gelegenheden verschillende aspecten heeft willen benadrukken.

In de versie van Matteüs (Matt. 25) geeft de heer zijn slaven respectievelijk vijf talenten, twee talenten en één talent, kennelijk op grond van zijn inschatting van hun bekwaamheden. Een talent was een bedrag aan geld ter waarde van ongeveer 5000 gulden. Als de heer terugkomt blijken de eerste twee slaven hun kapitaal door bekwaam handeldrijven te hebben verdubbeld. Beiden ontvangen dezelfde beloning (“ga in tot het feest van uw heer”). De derde heeft niet de moeite genomen voor zijn heer aan het werk te gaan. Hij wordt buitengeworpen “in de buitenste duisternis.”

In de versie die we in Lucas vinden (Luc. 19) ontvangt elke slaaf hetzelfde bedrag van 10 ponden (ca. 500 gulden). De eerste ziet kans dat te verdubbelen, terwijl de tweede kennelijk iets minder handig is, maar er toch nog de helft bijverdient. Ook hier is de derde niet bereid voor zijn heer aan het werk te gaan. De beloningen zijn nu ongelijk. De eerste ontvangt “gezag over tien steden”, de tweede over vijf, kennelijk in overeenstemming met hun gebleken bekwaamheden.

De motivering is echter in beide gevallen:

“Voortreffelijk, goede slaaf; omdat gij in het minste getrouw geweest zijt, heb gezag over …”

Ook in dit geval wordt de derde slaaf, die niets gedaan heeft, uit zijn vertrouwenspositie gezet.

 

Het zou ons weinig moeite moeten kosten om hierin de principes terug te vinden die we hebben besproken in de hoofdstukken 4 en 8, nl. dat de mens niet onmiddellijk over de gehele aarde werd gesteld, maar eerst in het klein moest bewijzen dat hij zijn grote taak wel aankon. Pas als dat was gebleken zou hem een grotere toekomst wachten. Bovendien vertellen de gelijkenissen ons dat er aan het eind, bij de terugkomst van de heer, een beoordeling wacht over zijn proeftijd. Maar dat is uiteraard niet meer dan logisch. De positie van de derde slaaf is echter ook van belang. Hij heeft het geld van zijn heer niet verkwist, maar hij heeft er simpelweg niets mee gedaan. Hij was niet van plan om iets voor zijn heer te doen, en heeft zich daarmee ongeschikt betoond voor een meer verantwoordelijke positie. De toepassing zal ook duidelijk zijn.

Dit leven nu is een opleiding voor het leven straks in het Koninkrijk (zie hoofdstuk 15), wanneer Christus’ dienaren met Hem zullen regeren (Op. 20:4). De ‘goede’ dienaren, die zich betrouwbaar hebben betoond, gaan beide in in dat Koninkrijk (“ga in tot het feest van uw heer”) maar hun taak daar zal zijn aangepast aan hun gebleken bekwaamheden (“heb gezag over tien/vijf steden”). De luie dienaar heeft in dat Koninkrijk geen plaats; hij is simpelweg onbruikbaar.

+

Voorgaande

Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 6 Soevereine God

Volgende: Bruikbaar of ondeugdelijk

++

Aanvullende lectuur

  1. Delen van Gods Rijkdom en Wijsheid
  2. Keuze van levende zielen tot de dood
  3. Onsterfelijkheid
  4. Al of niet onsterfelijkheid
  5. Wat gebeurt er als wij sterven
  6. Wij zijn sterfelijk en zullen tot stof vergaan
  7. Want het is geen leeg woord
  8. Ontbinding
  9. Decomposition, decay – vergaan, afsterven, ontbinding

+++

Geplaatst in Bijbel of Heilige Schrift, Christen zijn, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Levensvragen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties