Jezus, Heer maar niet God

Jezus Christus, Messias, Heer, maar niet God

1.Geboren

Op 17 oktober 4 jaar voor onze gewone tijdrekening werd er in Bethlehem een jongen ter wereld gebracht en door zijn moeder Maria in een kribbe gelegd, tijdens het verblijf op hun tocht om zich te laten registreren voor de volkstelling uitgeschreven door Caesar Augustus. Deze jonge vrouw had het niet gemakkelijk gehad, daar zij zwanger was geworden zonder enig menselijk contact en vooraleer zij getrouwd was. Hiervoor kon zij gestenigd worden tot de dood intrad.

Bethlehem Location

De locatie Bethlehem op de West Bank, met de belangrijkste Israelische en Jordaanse steden

Maria was op voorhand gewaarschuwd door een engel van God dat zij de uitverkoren vrouw was die de beloofde zoon van God zou baren. Al eeuwen hadden de mensen vol verwachting uitgekeken naar een beloofde verlosser uit de stam van David. Micha 5:2, 4 had te kennen gegeven dat uit Bethlehem iemand zou komen die „heerser in Israël” zou worden en die „groot zou zijn tot aan de einden der aarde”. (Mattheüs 2:3-6; Johannes 7:41, 42.)

De godsvruchtige Maria en Jozef voldeden aan de door God gestelde vereisten om deze toekomstige leermeester groot te brengen en een onbekommerde jeugd te geven. De ouders zelf moesten wel snel op de vlucht om dat men het al heel vroeg in Jezus leven op hem had gesteld om hem te doden.

2.Koningskind, Besneden en opgenomen in Joodse gemeenschap

Acht dagen na zijn geboorte wordt Jezus besneden en opgenomen in de Joodse gemeenschap. Bij die gebeurtenis is de 84-jarige profetes Anna aanwezig en begint in het openbaar God te danken en tot allen die willen luisteren over Jezus te spreken. Als het ware krijgen wij daar dan de eerste openbare bekendmaking van de rol van deze baby.

Als ook astrologen bekend maken dat zij op zoek zijn naar de beloofde Messias en de nieuwe koning wil Herodes het kind laten doden. Weer is het een engel die een boodschap van God over brengt aan Maria en Jozef zo dat zij met het kind Jezus kunnen vluchten. Erg genoeg moeten wel vele jonge baby’s het met het leven bekopen, waardoor weer een profetie in vervulling komt. (Jeremia 31:15; Daniel 9:25, 26)

Na hun vlucht naar Egypte wonen zij daar een tijdje tot er weer een engel verschijnt en hen opdracht geeft zich op weg te begeven naar het land Israël. Zo keert het gezin naar hun eigen land terug, waardoor nog een Bijbelse profetie in vervulling gaat, namelijk dat Gods Zoon uit Egypte zou worden geroepen.

Klaarblijkelijk is Jozef van plan zich in Judéa te vestigen, waar zij in de stad Bethlehem woonden voordat zij naar Egypte vluchtten. Maar hij hoort dat Archeláüs, de goddeloze zoon van Herodes, nu koning van Judéa is. Bovendien wordt hij in nog een droom door Jehovah voor het gevaar gewaarschuwd. Daarom reizen Jozef en zijn gezin naar het noorden en vestigen zich in de stad Nazareth in Galilea. In deze omgeving, ver van het centrum van het joodse religieuze leven vandaan, groeit Jezus op. (Mattheüs 2:13-23; Jeremia 31:15; Hosea 11:1.)

Op het einde van zijn leven vraagt Pilatus Jezus over zijn koningschap. „Zijt gij de koning der joden?” Met andere woorden, hebt ge de wet overtreden door uzelf in strijd met caesar tot koning uit te roepen? Hierop wil Jezus wil weten hoeveel Pilatus al over hem gehoord heeft, en daarom vraagt hij: „Zegt gij dit uit uzelf, of hebben anderen u over mij verteld?” Pilatus verklaart niets over hem te weten en de feiten te willen vernemen. „Ben ik soms een jood?” antwoordt hij. „Uw eigen natie en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt gij gedaan?” Jezus doet geen enkele poging om het strijdpunt met betrekking tot het koningschap te ontwijken. Hij stelt wel dat hij daartoe geboren is “en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen van de waarheid. Een ieder die aan de zijde van de waarheid staat, luistert naar mijn stem.” Hoewel Jezus niet voor Pilatus tracht te verbergen dat hij een koning is, legt hij uit dat zijn koninkrijk geen bedreiging vormt voor Rome. „Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld”, zegt Jezus. „Indien mijn koninkrijk een deel van deze wereld was, zouden mijn dienaren hebben gestreden, opdat ik niet aan de joden overgeleverd zou worden. Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet uit deze bron.” Jezus erkent aldus driemaal dat hij een koninkrijk heeft, hoewel het niet uit een aardse bron is. ( Lukas 22:66–23:3; Mattheüs 27:2, 11-14; Markus 15:1-5; Johannes 18:28-38; 1 Timotheüs 6:13.)

3.Zonder voorkennis

Terwijl God altijd al bestaan heeft, mits Hij geen begin heeft, merken wij dat Jezus een begin had als foetus en kind. Na de geboorte moest Jezus opgroeien en dingen leren, terwijl God alles kent en alles weet.

Sommigen denken dat de maagd Maria ook de moeder van God is, maar God was de eerste en heeft zo geen moeder. Mits Hij altijd heeft bestaan is hij ook niet gebaard geworden. Maria werd ook gezegend met nog andere kinderen. Na verloop van tijd werden Jakobus, Jozef, Simon en Judas geboren, en Maria en Jozef kregen ook dochters. Uiteindelijk had Jezus op zijn minst zes jongere broers en zusters. Om die reden moest Jezus ook hard werken om mee het gezin te helpen onderhouden.

4.Zoon van David

Als twee blinden achter Jezus aan lopen roepen zij: „Wees ons barmhartig, Zoon van David.”

Door Jezus de „Zoon van David” te noemen, geven deze mannen te kennen dat zij geloven dat Jezus de erfgenaam van de troon van David en dus de beloofde Messias is. Maar Jezus doet net of hij hun hulpgeroep niet hoort, misschien om hun volharding te toetsen. De mannen geven het echter niet op. Zij volgen Jezus naar het huis waar hij verblijft en als hij naar binnen gaat, volgen zij hem.
Daar vraagt Jezus: „Hebt gij geloof dat ik dit kan doen?”
„Ja, Heer”, antwoorden zij vol vertrouwen.
Daarom zegt Jezus, terwijl hij hun ogen aanraakt: „U geschiede naar uw geloof.” Opeens kunnen zij zien! Dan beveelt Jezus hun nadrukkelijk: „Ziet toe dat niemand het te weten komt.” Maar zij zijn zo overgelukkig dat zij Jezus’ bevel negeren en in de hele streek over hem praten. (Mattheüs 9:27-34; 13:54-58; Markus 6:1-6; Jesaja 9:7.)

5.In het huis van zijn Vader

File:William Hole Jesus Amidst The Doctors In The Temple 400.jpg

De twaalfjarige Jezus tussen de schriftegeleerden in de Tempel - William Hole 1846-1917

Het gelovig gezin verzorgd de geestelijke opvoeding van de kinderen en naast het bezoek aan de synagoge in Nazareth gaan zij ook regelmatig naar de synagoge in Jeruzalem. Daar is het dat de 12 jarige door de ongeruste ouders Jezus in een van de zalen te midden van de joodse leraren wordt gevonden, terwijl hij naar hen luistert en hun vragen stelt. Hier is het dan de eerste maal dat Jezus zich in het openbaar bekend maakt als de zoon van zijn Vader, als hij zegt: „Waarom moest gij naar mij gaan zoeken?” vraagt hij. „Wist gij niet dat ik in het huis van mijn Vader moet zijn?” Vervolgens gaat hij onderdanig met zijn ouders mee en blijft toenemen in wijsheid en in fysieke groei. (Lukas 2:40-52; 22:7)

 

Jezus als twaalfjarige in de Tempel - Max-Liebermann 1879

Deze gebeurtenis is door vele kunstenaars geportretteerd. Maar toen in het oorspronkelijke schilderij van de Joodse Pruiser Max Liebermann (1847-1935) een blootvoetse Jezus met lang donker haar in tressen duidelijk Joods was vonden velen het schilderij van Jezus in de tempel (1879) aanstootgevend. Later gaf hij Jezus blond haar, een minder uitgesproken neus en een meer Arisch uiterlijk, verzachte gesticulaties van zijn handen, en gaf hem sandalen plus veranderde de tempelomgeving naar een 17° eeuwse synagoge. Maar hij bleef felle kritiek over zich heen krijgen, omdat hij Jezus zogezegd als ‘betweterig Jodenkind’ had voorgesteld en op die manier het Christelijk geloof zou hebben bespot.

6.Doop tot openbaring van Zoonschap en Zalving

File:Jacob de Wit 006.jpg

Doop van Christus in de Jordaan - Jacob de Wit 1716

Op dertigjarige leeftijd gaat Jezus zijn neef Johannes opzoeken die predikt en doopt aan de Jordaan. Jezus vraagt of Johannes hem wil dopen. Onmiddellijk protesteert Johannes: „Ik moet door u gedoopt worden, en gij komt tot mij?” Johannes weet dat zijn neef Jezus een speciale Zoon van God is. Toch wist Johannes kennelijk niet met zekerheid dat Jezus de Messias zou zijn. „Ook ik kende hem niet,” geeft Johannes later toe, „maar de reden waarom ik in water kwam dopen, was dat hij aan Israël openbaar gemaakt zou worden.” „Ik zag de geest gelijk een duif uit de hemel neerdalen, en hij bleef op hem. Ook ik kende hem niet, maar Degene die mij heeft gezonden om in water te dopen, die heeft tot mij gezegd: ’Degene op wie gij de geest ziet neerdalen en blijven, die is het die in heilige geest doopt.’ En ik heb het gezien, en ik heb getuigenis afgelegd dat deze de Zoon van God is.”

Met het besef dat Jezus zonder zonde is en aldus geen doop nodig heeft maakte Johannes bezwaar om Jezus te dopen. Jezus stelt hem gerust: „Laat het deze keer zo zijn, want aldus past het ons alles wat rechtvaardig is te volbrengen.”

Bij Jezus is die doop daar geen gebeurtenis van witwassing maar toch nog wel van opname. Jezus’ doop is geen symbool van berouw over zonden, maar van het feit dat hij zich aanbiedt om de wil van zijn Vader te doen. Tot op dat ogenblik was Jezus vakman, maar nu is voor hem de tijd aangebroken om te beginnen met de bediening waarvoor Jehovah God hem naar de aarde heeft gezonden.

7.God zegt: “Dit is mijn geliefde zoon”

Velen vergeten de belangrijke woorden die op die dag worden uitgesproken. Namelijk klinkt er vanuit de hemel de stem van God die duidelijk de positie van deze dertiger aangeeft. De stem zegt niet dat zij het is maar wel: „Dit is mijn Zoon, de geliefde, die ik heb goedgekeurd.” Het is de stem van God die duidelijk te kennen geeft dat het hier zijn zoon is die in het water staat en gedoopt is geworden. Het is duidelijk dat Jezus Gods Zoon is, en niet God zelf, zoals sommige mensen beweren.

God heeft de aarde en alles er op geschapen. De eerste mens, Adam, is een menselijke zoon van God, zoals al diegenen die zich tot God hun Vader wenden kinderen van God zijn. Maar hier hebben wij zoals de eerste man Adam volledig door God geschapen was een nieuwe Adam die God tot leven bracht door Zijn Kracht. Zoals de apostel Lukas schrijft, nadat hij Jezus’ doop heeft beschreven „Deze Jezus was . . ., toen hij met zijn werk begon, ongeveer dertig jaar, terwijl hij, naar men meende, de zoon was van Jozef, zoon van Eli, . . . zoon van David, . . . zoon van Abraham, . . . zoon van Noach, . . . zoon van Adam, zoon van God.”

Evenals Adam een menselijke „zoon van God” was, is ook Jezus dit. Jezus is de grootste mens die ooit heeft geleefd, en dit wordt ons duidelijk als wij Jezus’ leven beschouwen. Bij zijn doop komt Jezus echter in een nieuwe verhouding tot God te staan, en wordt hij ook Gods geestelijke Zoon. God roept hem nu als het ware terug naar de hemel, door hem een loopbaan te laten beginnen die ertoe zal leiden dat hij zijn menselijke leven voor altijd als slachtoffer ten behoeve van de veroordeelde mensheid zal afleggen. (Mattheüs 3:13-17; Lukas 3:21-38; 1:34-36, 44; 2:10-14; Johannes 1:32-34; Hebreeën 10:5-9.)

Ook gewone stervelingen hechten geloof in het zoonschap van Jezus die allerlei ongelofelijke dingen laat zien. Als deze over de macht van zijn Vader, die genegenheid voor de Zoon heeft en meldt dat zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt dit ook de Zoon kan doen bij wie hij wil. (Johannes 5:21) opstanding heeft gesproken antwoord Martha op zijn vraag of zij gelooft: „Ik heb geloofd dat gij de Christus zijt, de Zoon van God, Degene die in de wereld komt.” (Johannes 11:17-24-28-37)

Bij het verdwijnen van het zonlicht roept Jezus uit: „Vader, aan uw handen vertrouw ik mijn geest toe.” Op het ogenblik dat Jezus de laatste adem uitblaast, doet zich een hevige aardbeving voor welke zo krachtig is dat de herinneringsgraven buiten Jeruzalem openbreken en er dode lichamen uit geslingerd worden. Op het zelfde moment scheurt het kolossale gordijn dat het Heilige van het Allerheiligste in Gods tempel scheidt, van boven tot onder in tweeën. De onnoemelijke donkerte en volgende natuurverschijnselen doen de mensen beseffen dat er toch werkelijk iets speciaal moest zijn met de dood van deze man en het daar rond gebeurende. Ook de legeroverste die de leiding heeft over de terechtstelling, geeft God heerlijkheid. „Waarlijk, dit was Gods Zoon”, verklaart hij. Hij is er waarschijnlijk bij geweest toen Jezus’ aanspraak op goddelijk zoonschap tijdens het verhoor voor Pilatus ter sprake kwam. En nu is hij ervan overtuigd dat Jezus de Zoon van God is.

Er was in het huis van David en bij hem die hem beter hadden leren kennen, een bittere jammerklacht over Jezus zoals wanneer er een bittere jammerklacht is over de eerstgeboren zoon.

File:Tizian 009.jpg

Maria Magdalena - Titian 1565

Als Maria Magdalena Jezus niet meer in het graf weet te vinden herkent zij hem na haar vertwijfeling. Daar zegt Jezus dat hij nog niet naar zijn Vader is gegaan maar dit wel zal doen.
Jezus zei tot haar: „Klem u niet langer aan mij vast. Want ik ben nog niet naar de Vader opgestegen. Maar ga naar mijn broeders en zeg hun: ’Ik stijg op naar mijn Vader en UW Vader en naar mijn God en UW God.’” ( Mattheüs 27:45-66; 28:3-15; Markus 15:33-16:8; Lukas 23:44-24:12; 2:34, 35; Johannes 19: 11-18, 25-30; 20: 2-18; Deuteronomium 21:22, 23; Zacharia 12:10.)

Terwijl God geest is en niet kan sterven is Jezus ook na zijn dood een voelbaar en zichtbaar lichaam, waar zelfs de littekens van zijn marteling te zien zijn.
Wanneer Jezus voor de vijfde maal verschijnt na zijn dood moet hij tegen de bange lui zeggen: „Waarom zijt gij verontrust en waarom komt er twijfel op in uw hart? Ziet mijn handen en mijn voeten, dat ik het zelf ben; betast mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij aanschouwt dat ik heb.” (Genesis 6:3; Johannes 4:24; 2 Korinthiërs 3:17; Johannes 20:24-29)

8.Vader en zoon

Als de joodse religieuze leiders Jezus van sabbatschennis beschuldigen, antwoordt hij: „Mijn Vader is tot nu toe blijven werken, en ik blijf werken.”

Jezus zijn bewering dat hij Gods eigen Zoon is vatten de Farizeeën als godslastering op. Doch onbevreesd geeft Jezus hun verdere inlichtingen over de begunstigde verhouding waarin hij tot God staat. „De Vader heeft genegenheid voor de Zoon”, zegt hij, „en laat hem alle dingen zien die hijzelf doet.”

„Evenals de Vader de doden opwekt”, vervolgt Jezus, „zo maakt ook de Zoon levend wie hij wil.” De geestelijk doden worden door de Zoon inderdaad reeds opgewekt! „Wie mijn woord hoort en hem gelooft die mij heeft gezonden,” zegt Jezus, „is uit de dood tot het leven overgegaan.” Ja, zo vervolgt hij: „Het uur komt, en is nu, waarin de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en zij die er acht op hebben geslagen, zullen leven.” (Johannes 5:17-47; 1:19-27; Mattheüs 3:17)

Als wij Jezus zien kunnen wij vele eigenschappen van God herkennen en krijgen wij ook de mogelijkheid om dichter tot zijn Vader te komen. Door Jezus kunnen wij wel leven krijgen maar dit kan enkel door dat het de Vader is welke die macht aan Zijn zoon geeft. „Ik ben het brood des levens”, legt Jezus uit. „Wie tot mij komt, zal geen honger meer krijgen, en wie geloof in mij oefent, zal nooit meer dorst krijgen. Maar ik heb tot u gezegd: Gij hebt mij gezien en toch gelooft gij niet. Al wat de Vader mij geeft, zal tot mij komen, en wie tot mij komt, zal ik geenszins verdrijven; want ik ben niet uit de hemel neergedaald om mijn wil te doen, maar de wil van hem die mij heeft gezonden. Dit is de wil van hem die mij heeft gezonden, dat ik niets van al wat hij mij heeft gegeven, verloren laat gaan, maar dat ik het op de laatste dag uit de dood opwek. Want dit is de wil van mijn Vader, dat een ieder die de Zoon aanschouwt en geloof in hem oefent, eeuwig leven moge hebben.”

De uitspraak van Jezus dat hij het brood van het leven is dat uit de hemel is neergedaald roept veel weerstand op onder de Joden. Zij zien in hem niets meer dan een zoon van menselijke ouders en daarom protesteren zij op dezelfde wijze als de mensen in Nazareth, door te zeggen: „Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe kan hij dan nu zeggen: ’Ik ben uit de hemel neergedaald’?”
„Houdt ermee op onder elkaar te murmureren”, antwoordt Jezus. „Niemand kan tot mij komen tenzij de Vader, die mij heeft gezonden, hem trekt; en ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken. Er staat geschreven in de Profeten: ’En zij zullen allen door Jehovah worden onderwezen.’ Een ieder die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot mij. Niet dat iemand de Vader heeft gezien, behalve hij die van God afkomstig is; die heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven.” (Johannes 6:25-51, 59; Psalm 78:24; Jesaja 54:13; Mattheüs 13:55-57.)

Als Jezus zich ook uitspreekt het licht van de wereld te zijn vinden de Farizeeën dat Jezus onware getuigenissen over zich zelf aflegt. Jezus antwoordt: „Ook al leg ik getuigenis over mijzelf af, dan is mijn getuigenis toch waar, omdat ik weet vanwaar ik ben gekomen en waarheen ik ga. Gij echter weet niet vanwaar ik ben gekomen en waarheen ik ga.” Hij voegt eraan toe: „Ik ben het die getuigenis over mijzelf afleg, en de Vader, die mij gezonden heeft, legt getuigenis over mij af.” Op de vraag waar zijn Vader is wantwoord Jezus: „Gij kent noch mij noch mijn Vader. Indien gij mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen.” Ook al willen de Farizeeën nog steeds dat Jezus gearresteerd wordt, toch raakt niemand hem aan. „Ik ga heen”, zegt Jezus nogmaals. „Waarheen ik ga, kunt gij niet komen.” Hierop beginnen de joden zich af te vragen: „Hij zal toch zichzelf niet doden? Want hij zegt: ’Waarheen ik ga, kunt gij niet komen.’” „Gij zijt van de rijken beneden”, legt Jezus uit. „Ik ben van de rijken boven. Gij zijt van deze wereld; ik ben niet van deze wereld.” Vervolgens zegt hij: „Indien gij niet gelooft dat ik het ben, zult gij in uw zonden sterven.”

File:Brooklyn Museum - The Resurrection (La Résurrection) - James Tissot.jpg

Een gestorven Jezus staat op uit het graf waar hij ingelegd was. - The Resurrection (La Résurrection) - James Tissot tussen 1886 en 1894

Zich realiserend dat zij hem verwerpen, antwoordt Jezus: „Waarom spreek ik eigenlijk nog tot u?” Toch zegt hij dan: „Hij die mij gezonden heeft, is waarachtig, en de dingen die ik van hem heb gehoord, die spreek ik in de wereld.” Vervolgens zegt Jezus: „Wanneer gij de Zoon des mensen eenmaal omhoog geheven hebt, dan zult gij weten dat ik het ben, en dat ik niets uit eigen beweging doe; maar deze dingen spreek ik zoals de Vader mij heeft geleerd. En hij die mij gezonden heeft, is met mij; hij heeft mij niet aan mijzelf overgelaten, omdat ik altijd de dingen doe die hem behagen.” (Johannes 8:12-36.)

Als Jezus deze dingen zegt, stellen velen geloof in hem maar vele anderen gaan wegens deze en eerdere uitspraken van Jezus hem niet meer volgen. De reacties van de Farizeeën en hogepriesters doen anderen zwijgen of een afwachtende houding aan nemen. Anderen zijn klaarblijkelijk in de war en teleurgesteld omdat Jezus geweigerd heeft in te gaan op de pogingen van het volk om hem koning te maken, en omdat hij, toen hij door zijn vijanden werd uitgedaagd, geen teken uit de hemel verschafte om zijn koningschap te bewijzen. Wie geloven zijn apostelen nu eigenlijk dat hij is? Als zij op de plek komen waar Jezus aan het bidden is, informeert hij: „Wie zeggen de scharen dat ik ben?” „Sommigen zeggen Johannes de Doper,” antwoorden zij, „anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten.” Ja, de mensen denken dat Jezus een van deze mannen is en dat hij uit de doden is opgewekt! „Wie zegt gij echter dat ik ben?” vraagt Jezus. Prompt geeft Petrus ten antwoord: „Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” (Markus 8:27-29; Mattheüs 16:13-16-17; Lukas 9:20; Johannes 1:41; 4:25; 11:27)

De discussie die Jezus tijdens het Loofhuttenfeest met de joodse leiders voert, wordt feller. „Ik weet dat gij Abrahams nageslacht zijt”, erkent Jezus, „maar gij zoekt mij te doden, omdat mijn woord geen vooruitgang onder u maakt. Ik spreek de dingen die ik bij mijn Vader heb gezien; en gij doet daarom de dingen die gij van uw vader hebt gehoord.”
Hoewel Jezus niet zegt wie hun vader is, maakt hij duidelijk dat zij een andere vader hebben dan hij. Zonder te beseffen wie Jezus in gedachten heeft, antwoorden de joodse leiders: „Onze vader is Abraham.” Zij menen dat zij hetzelfde geloof hebben als Abraham, die Gods vriend was.
Jezus schokt hen echter door te antwoorden: „Indien gij Abrahams kinderen zijt, doet dan de werken van Abraham.” Ja, een ware zoon volgt zijn vader na. „Maar nu zoekt gij mij, een mens die u de waarheid heeft gezegd, welke ik van God heb gehoord, te doden. Abraham heeft dit niet gedaan.” Daarom zegt Jezus opnieuw: „Gij doet de werken van uw vader.”

Nog altijd begrijpen zij niet over wie Jezus spreekt. Zij blijven erbij wettige zonen van Abraham te zijn en zeggen: „Wij zijn niet uit hoererij geboren.” Bewerend dat zij, evenals Abraham, ware aanbidders zijn, verklaren zij derhalve: „Wij hebben één Vader, God.”

Maar is God werkelijk hun Vader? „Als God uw Vader was,” antwoordt Jezus, „zoudt gij mij liefhebben, want van God ben ik uitgegaan en ben ik hier. Ook ben ik volstrekt niet uit eigen beweging gekomen, maar Hij heeft mij uitgezonden. Hoe komt het dat gij niet verstaat wat ik spreek?”
„Indien ik mijzelf verheerlijk, is mijn heerlijkheid niets.” Vervolgt Jezus: “ Mijn Vader is het die mij verheerlijkt, van wie gij zegt dat hij uw God is; en toch hebt gij hem niet gekend. Maar ik ken hem. En als ik zou zeggen dat ik hem niet ken, dan zou ik net als gij een leugenaar zijn.” (Johannes 8:37-59; Openbaring 3:14; 21:8.)

„Gij [behoort] niet tot mijn schapen. . . Mijn schapen luisteren naar mijn stem, en ik ken ze, en zij volgen mij. En ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen stellig nooit worden vernietigd, en niemand zal ze uit mijn hand rukken. Wat mijn Vader mij heeft gegeven, is groter dan al het andere, en niemand kan ze uit de hand van de Vader rukken.”

Jezus beschrijft vervolgens de intieme verhouding waarin hij tot zijn Vader staat door uit te leggen: „Ik en de Vader zijn één.” Aangezien Jezus zich op aarde bevindt en zijn Vader in de hemel is, zegt hij vanzelfsprekend niet dat hij en zijn Vader letterlijk, of fysiek, één zijn. Hij bedoelt veeleer dat zij hetzelfde doel beogen, dat zij in eendracht met elkaar zijn.

Woedend over Jezus’ woorden nemen de joden, net zoals zij dit voordien tijdens het Loofhuttenfeest hadden gedaan, stenen op om hem te doden. Jezus kijkt degenen die hem willen vermoorden, onverschrokken aan en zegt: „Ik heb u vele voortreffelijke werken van de Vader getoond. Om welke van die werken stenigt gij mij?”

„Wij stenigen u niet om een voortreffelijk werk,” antwoorden zij, „maar om lastering, ja, omdat gij, hoewel gij een mens zijt, uzelf tot een god maakt.” Waarom zeggen de joden dit, aangezien Jezus nooit beweerd heeft een god te zijn?

Kennelijk omdat Jezus zichzelf krachten toeschrijft die naar hun mening exclusief aan God toebehoren. Hij had bijvoorbeeld zojuist over de „schapen” gezegd: „Ik geef hun eeuwig leven”, iets wat geen enkel mens kan doen. De joden zien echter over het hoofd dat Jezus erkent de macht hiertoe van zijn Vader ontvangen te hebben.

Dat Jezus beweert minder dan God te zijn, toont hij vervolgens aan door te vragen: „Staat er niet in uw Wet geschreven [in Psalm 82:6]: ’Ik heb gezegd: „Gij zijt goden”’? Indien hij degenen tegen wie het woord van God gericht werd, ’goden’ heeft genoemd, . . . zegt gij dan tot mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd: ’Gij lastert’, omdat ik heb gezegd: Ik ben Gods Zoon?”

Aangezien de Schrift zelfs onrechtvaardige menselijke rechters „goden” noemt, hoe kunnen deze joden dan aanmerkingen maken op Jezus omdat hij zegt: „Ik ben Gods Zoon”? Jezus voegt hieraan toe: „Indien ik de werken van mijn Vader niet doe, gelooft mij niet. Maar indien ik ze wel doe, gelooft dan de werken, ook al gelooft gij mij niet, opdat gij te weten moogt komen en moogt blijven weten dat de Vader in eendracht met mij is en ik in eendracht met de Vader ben.”

Als Jezus dit zegt, proberen de joden hem te grijpen. Maar hij ontkomt, zoals dit eerder, tijdens het Loofhuttenfeest, gebeurd is. (Johannes 10:22-42; 4:26; 8:23, 58; Mattheüs 16:20.)

Kort voor Jezus zijn dood spreekt Jehovah God tot de menigte, waarop Jezus zegt dat die stem niet ter wille van hem spreekt, maar om te bewijzen dat Jezus inderdaad Gods Zoon is, de beloofde Messias. “ De stem uit de hemel zegt: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.’” De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen hem gesproken had. Jezus besluit met de woorden: „Ik heb niet uit mijzelf gesproken, maar de Vader, die mij heeft gezonden, heeft mij zelf een gebod gegeven met betrekking tot wat ik zeggen en wat ik spreken moet. Ook weet ik dat zijn gebod eeuwig leven betekent. De dingen die ik daarom spreek, spreek ik zoals de Vader ze mij heeft gezegd.” (Johannes 12:28-30, 44-50; 14:10-11; Mattheüs 3:17)

File:Berruguete-Pedro-Gethsemane.jpg

Jezus in de tuivn van Gethsemane - Detail uit het schilderij van Pedro Berruguete (c. 1450 - 1504) ca. 1500

Het is aan zijn Vader dat de diepbedroefde Jezus vraagt om de kelk der smarten voorbij te laten gaan. Maar hij vervolgd: “indien het mogelijk is, laat deze beker aan mij voorbijgaan. Doch niet zoals ik wil, maar zoals Gij wilt.” Gehoorzaam onderwerpt Jezus zijn wil aan die van zijn Vader Jehovah God. Dan verschijnt er een engel uit de hemel en sterkt hem met enkele aanmoedigende woorden. Vermoedelijk geeft de engel Jezus de verzekering dat hij de volledige goedkeuring van zijn Vader heeft. (Mattheüs 26:38-39, 42, 44-45; Markus 14:32-36; 39.)

Bijna op het einde van zijn leven, bij zijn gevangenneming zegt Jezus nog: “denkt gij dat ik geen beroep op mijn Vader kan doen om mij op dit ogenblik meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking te stellen? (Mattheüs 26:52-53; 25:56; Markus 14:46-49; Johannes 18:11.)

Bij Jezus’ ondervraging door de arglistige Kajafas dwingt deze Jezus een bekentenis af: „Ik stel u onder ede bij de levende God, ons te zeggen of gij de Christus, de Zoon van God, zijt!”
Ongeacht wat de joden denken, Jezus is werkelijk de Zoon van God. En te blijven zwijgen, zou uitgelegd kunnen worden als een loochening van het feit dat hij de Christus is. Daarom antwoordt Jezus moedig: „Ik ben het; en gijlieden zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand der kracht en hem zien komen met de wolken des hemels.” (Mattheüs 26:59, 62-64; Markus 14:53, 55, 60-62; Lukas 22:54, 63-71; Johannes 10:31-39; 5:16-18; Handelingen der Apostelen 7:55; Hebreeën 10:12; Psalm 110:1.)

9.Gevonden Messias

Bij zijn geboorte was Jezus nog niet de Gezalfde of Christus. De engel die zijn geboorte aankondigde, zei tot Jozef: „Gij moet hem de naam Jezus geven” (Mattheüs 1:21). Toen echter door een engel aan de herders bij Bethlehem werd aangekondigd welke toekomstige rol Jezus zou vervullen, zei hij tot hen: „Heden is u . . . een Redder geboren, die Christus de Heer is”, dat wil zeggen, „die Christus de Heer zal zijn”. (Lukas 2:11.) De zalving gebeurde tijdens Jezus doop.

Johannes benoemt Jezus ook wel Mes’si·as en haalt aan dat het ook Christus betekent (Johannes 1:41; 4:25.) In sommige gevallen wordt het woord Chri’stos opzichzelfstaand gebruikt met betrekking tot degene die de Messias, of de Gezalfde, is of beweert te zijn (Mattheüs 2:4; 22:42; Markus 13:21). In onze teksten of als wij over Jezus spreken zal u horen dat wij het in de meeste gevallen vergezeld laten gaan van de persoonlijke naam Jezus, zoals in de uitdrukkingen „Jezus Christus” of „Christus Jezus”, om hem als de Messias aan te duiden. Soms wordt het woord opzichzelfstaand gebruikt maar heeft dan specifiek betrekking op Jezus, waarbij als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat Jezus de Christus is, zoals in de uitspraak dat „Christus voor ons is gestorven”. (Romeinen 5:8; Johannes 17:3; 1 Korinthiërs 1:1, 2; 16:24)

Tijdens Jezus’ verblijf op aarde was Bethlehem een „dorp” (Johannes 7:42). Daarom kon de profeet Micha in zijn Messiaanse profetie in Micha 5:2 naar Bethlehem Efratha verwijzen als „te klein . . . om onder de duizenden van Juda gerekend te worden”. Niettemin toonde zijn profetie dat het kleine Bethlehem de unieke eer te beurt zou vallen de plaats te zijn waar de Messias vandaan zou komen. Het joodse volk maakte uit deze profetie op dat de Messias of Christus in die stad geboren zou worden en daaruit zou voortkomen (Johannes 7:40-42), een overtuiging die ook door hun hogepriesters en Schriftgeleerden werd gedeeld. (Mattheüs 2:3-6.)

De Bijbel toont aan dat Jezus, de Messias, die in de geslachtslijn van David geboren is, vanaf de hemelse berg Sion, vanuit het hemelse Jeruzalem, zou regeren. (Psalm 2:6, 7; Hebreeuwen 5:5; Openbaring van Johannes 14:1, 3.) Uit Jacobs zaad zou een „ster” — de Messias —komen. Een ster kondigde de te volgen weg voor de wijzen. Onder de sterrenhemel kon Jezus nu velen speciale dingen vertellen en mensen warm maken om hem te volgen.

Als de voorzegde „boodschapper van het verbond” kwam Jezus Christus tot de tempel en reinigde deze (Mattheüs 21:12, 13; Markus 11:15-17; Lukas 19:45, 46). Hij was kennelijk de boodschapper van het Abrahamitische verbond, want op grond van dit verbond zouden de joden als eersten de gelegenheid krijgen om erfgenamen van het Koninkrijk te worden. Op dit verbond beriep Petrus zich later toen hij de joden tot berouw aanspoorde. Het is ook opmerkenswaard dat Zacharias, de vader van Johannes de Doper, melding maakte van het Abrahamitische verbond in verband met het feit dat Jehovah ’een hoorn van redding in het huis van David’ had verwekt, welke hoorn de Messias was. (Vgl. Mattheüs 10:5-7; 15:24; 21:31; Lukas 1:69-75; Handelingen van de Apostelen 3:12, 19-26.)

Onder de volgelingen bevinden zich ook Johannes een neef van Jezus want zoon van Maria’s zuster Salóme. Na een lang gesprek met deze en Andreas, loopt de laatste naar zijn broer Simon Petrus om hem te melden: „Wij hebben de Messías gevonden”.(Johannes 1:36-41) de Messias of de Christos betekent ‘de Gezalfde’.( Levieten 4:5, 16; 6:22.) In de profetie over de Messias in Jesaja 9:6 wordt de titel „Sterke God” op de beloofde Vredevorst toegepast. Deze uitdrukking is de vertaling van het Hebreeuwse ´El Gib·bor’.

Deze jonge mannen kenden de Oude Geschriften en wisten heel goed welke verkondigingen daar in stonden. Zij konden alle knoopjes bij elkaar rijgen en inzien dat de aankondiging van de beloofde Verlosser in werking was getreden. De twee broers namen hun visserswerk weer op, maar zes maanden tot een jaar later, na de gevangenneming van Johannes de Doper, werden zij tesamen met Jakobus en Johannes door Jezus uitgenodigd om „vissers van mensen” te worden. Zij lieten onmiddellijk hun netten in de steek en begonnen Jezus te vergezellen (Mattheüs 4:18-20; Markus 1:14, 16-20). Petrus zou later met Pinksteren ook zeggen: „God heeft deze Jezus . . . zowel tot Heer als tot Christus . . . gemaakt.” Zoals vroeger ook de engel had geopenbaard: “want heden is U in Davids stad een Redder geboren, die Christus [de] Heer is.” (Jesaja 9:6; 19:20; Lukas 2:11; Filippenzen 2:11)

Dat hij aan de armen en onderdrukten het goede nieuws bekendmaakte, stond in een dergelijk schril contrast met de houding van de religieuze leiders van het judaïsme, dat het een van de bewijzen vormde dat hij werkelijk de Messias was (Mattheüs 11:5; Lukas 4:18; 7:22). Degenen die gehoor gaven aan de boodschap, viel bovendien het glorierijke voorrecht ten deel het hemelse koninkrijk te beërven. (Mattheüs 5:3; Lukas 6:20).

Onder de bevolking gingen veel woorden rond, bij het zien en horen van al die mirakels die Jezus verrichte en de wijze woorden die hij sprak dat dit wel eens die beloofde profeet kon zijn.
“ „Dit is stellig De Profeet.” Anderen zeiden: „Dit is de Christus.” Maar sommigen zeiden: „De Christus komt toch feitelijk niet uit Galiléa? Heeft de Schrift niet gezegd dat de Christus uit het nageslacht van David komt, en uit Bethlehem, het dorp waar David gewoonlijk was?” Daarom ontstond er onder de schare verdeeldheid over hem. Sommigen van hen echter wilden hem grijpen, maar niemand sloeg de hand aan hem.” (Johannes 7:40-44)

Jezus bracht de tekenen die in de vroegere geschriften werden aangekondigd en voldeed aan de door Mozes en anderen voorspelde profeet. (Deuteronomium 18:18; Johannes 3:31; 4:19,25,29; 6:14; Handelingen der Apostelen 3:22, 23)

10.Eenvoudig maar groots

File:Albrecht Dürer - Jesus among the Doctors - Google Art Project.jpg

Twaalfjarige Jezus tussen de schriftgeleerden - Albrecht Dürer (1471–1528) 1506

Tegenover God is de mens niets, ook al denkt hij veel te kunnen. Jezus, bewust van zijn belangrijke functie, bleef nederig de Wil van zijn Vader doen. Hij was er niet op uit om macht te verwerven. God is almachtig en alwetend, maar Jezus kon enkel de dingen doen door de hand van zijn Vader en moest toegeven dat hij vele dingen niet wist.

Jezus weet dat het verkeerd is zijn vermogen om wonderen te verrichten voor het bevredigen van zijn persoonlijke verlangens aan te wenden. Om die reden wijst hij zulke verzoekingen, zoals tijdens zijn veertigdaagse vasten, af. Elke verleiding om kwaad te doen of iets tegen de Wil van God te doen slaat hij af.

De door Johannes als Lam van God kenbaar gemaakte man gaat nu het openbare leven in als verkondiger van het Goede Nieuws. Hij gaat vertellen over het komende Koninkrijk van God. Velen kijken hun ogen uit en hopen in hem die lang verwachte nieuwe koning te mogen vinden. Zij vergeten dat het om een Koninkrijk gat dat niet van deze wereld is. Toch willen velen tot zijn entourage behoren en blijven hem van nabij volgen. Zelf kiest Jezus onder weg mensen uit die hij graag tot zijn discipelen, of leerlingen wil nemen. Terzijde geeft hij hen steeds verdere uitleg over wat, hoe en waarom hij dingen verteld. Steeds blijft hij geduldig en probeert hij klaar te staan om anderen te helpen.

De positie van Jezus wordt alsmaar precair omdat door de wonderen en wijze woorden die hij tot het publiek brengt wordt de positie en autoriteit van de religieuze leiders ondermijnd volgens hen.

Als de hogepriesters en oudere mannen Jezus vragen: „Krachtens welke autoriteit doet gij deze dingen? En wie heeft u die autoriteit gegeven?” antwoord Jezus hen niet naar hun dwaasheid (Spreuken 26:4): „Ik zal u ook één ding vragen. Indien gij mij dat zegt, zal ik u ook zeggen krachtens welke autoriteit ik deze dingen doe: De doop door Johannes, welke oorsprong had die? Uit de hemel of uit de mensen?” De priesters en oudere mannen beginnen onder elkaar te beraadslagen wat zij zullen antwoorden. „Als wij zeggen: ’Uit de hemel’, dan zal hij tot ons zeggen: ’Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?’ Zeggen wij echter: ’Uit de mensen’, dan hebben wij de schare te vrezen, want zij allen houden Johannes voor een profeet.” De leiders weten niet wat zij moeten antwoorden. Daarom zeggen zij tot Jezus: „Wij weten het niet.” Jezus zegt op zijn beurt: „Dan zeg ik u evenmin krachtens welke autoriteit ik deze dingen doe.” (Mattheüs 21:23-27; Markus 11:27-33; Lukas 20:1-8.)

Verscheidenen zien dat deze leraar waarachtig is en de weg van God in waarheid onderwijst, zich aan niemand stoort of geen partijdigheid aan neemt, want hij ziet de uiterlijke verschijning van de mensen niet aan. Ook beseffen er dat al die mirakelen niet door Jezus konden uitgevoerd worden indien Jehovah God niet met hem zou zijn. (Mattheüs 22:16; Lukas 20:21; Johannes 3:2; 14:11; Handelingen der Apostelen 2:22)

11.Minder dan Jehovah God

Regelmatig in het Nieuwe Testament kunnen wij zien hoe Jezus de mensen terechtwijst als zij hem willen verhogen. Ook al worden in die tijd vele goden aanbeden wenst hij niet als een god aanbeden te worden en geeft te kennen dat er slechts één God mag vereerd worden, die zijn Vader is en groter dan hem.

Het is God die vol macht en wijsheid is, alsook alwetend, doch Jezus kan niets zonder zijn Vader en weet van vele dingen het fijne niet.

Als gewone sterveling (terwijl God niet kan sterven) moest Jezus zich weren in de maatschappij. Indien hij wenste kon hij doen als zo vele anderen en kon hij nu en dan eens beuzelen, liegen of bedriegen, maar hij verkoos geen misstappen te doen. Zo was Jezus de enige mens die er in slaagde om niet te zondigen. Hij wenste volledig te beantwoorden aan de normen en waarden die God had vooropgesteld. Ook voor hem lag de moeilijkheid er in dat het niet zijn warden en normen waren, zodat hij niet zo maar kon doen wat hij zelf wenste, maar dat hij gehoorzaamheid hoorde uit te voeren zoals wij gehoorzaam aan onze ouders en aan God moeten zijn.

File:Brooklyn Museum - Jesus Heals the Blind and Lame on the Mountain (Sur la montagne Jésus guérit les aveugles et les boiteux) - James Tissot - overall.jpg

Jezus geneest de blinde en lamme op de berg - James Tissot (1836-1902) tussen 1886 en 1894

Terwijl God alles weet en kan moest Jezus als kind alles leren en opgroeien tussen zijn broers (en zusters) en andere gewone mensen. Hij moest daarbij ook kiezen welke weg hij wenste op te gaan.
Zijn houding tegenover de onrechtvaardigheid in de maatschappij, zijn vredelievendheid, maar ook zijn oprechtheid werden hem dikwijls kwalijk genomen. De mirakelen die hij kon verrichten en dan toewees aan God zijn Vader en zijn geweldige kennis van het Woord van God waren een doorn in het oog van de Farizeeën die jaloers waren op de aanhang die deze arbeiderszoon kon krijgen. Nooit beriep Jezus hoger te zijn of de meerdere, steeds bleef hij een ‘simpele ziel’.

Het is aan u te horen wat Jezus of wat God zegt, maar voor Jezus is het duidelijk over wie hij spreekt en naar wie hij gaat. Indien wij Jezus liefhebben zullen wij niet enkel blij zijn om wat deze man gedaan heeft en omdat hij naar zijn Vader ging, want deze Vader is groter dan hij, maar ook onze Vader. Zoals Jezus Christus onderworpen is aan zijn Vader horen wij ook ons te onderwerpen aan die Vader, de enige Ware God, van wie Christus Jezus getuigenis heeft afgelegd.

“Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben, ‘zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’” (Johannes 18:37 NBV)

“(83:19) Dan zullen zij weten dat uw naam HEER / JHWH is, dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde.” of “Opdat men weet dat gij, wiens naam Jehovah is, Gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aarde.” (Psalmen 83:18 NBV; NWV)

“Ik heb aan de mensen die u mij uit de wereld gegeven hebt uw naam bekendgemaakt. Zij waren van u, maar u hebt hen aan mij gegeven. Ze hebben uw woord bewaard,” (Johannes 17:6 NBV)

“Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en dat zal ik blijven doen, zodat de liefde waarmee u mij liefhad in hen zal zijn en ik in hen.’” (Johannes 17:26 NBV)

“en van Jezus Christus, de betrouwbare getuige, de eerstgeborene van de doden, de heerser over de vorsten van de aarde. Aan hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft bevrijd door zijn bloed,” (Openbaring 1:5 NBV)

“Jullie hebben toch gehoord dat ik zei dat ik wegga en bij jullie terug zal komen? Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik naar mijn Vader ga, want de Vader is meer dan ik.” (Johannes 14:28 NBV)

“Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.” (Filippenzen 2:5-8 NBV)

“Ik moet u echter nog het volgende zeggen. Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus.” (1 Korintiërs 11:3 NBV)

“En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.” (1 Korintiërs 15:28 NBV)

Jezus is niet alleen lager dan God, hij was zelfs minder dan de engelen.

“wel zien we dat Jezus – die voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst was opdat zijn dood door Gods genade iedereen ten goede zou komen – vanwege zijn lijden en dood nu met eer en luister gekroond is.” (Hebreeën 2:9 NBV)

“Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel,” (Hebreeën 2:14 NBV)

“Daarom moest hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden.” (Hebreeën 2:17 NBV)

12.Onderrichter of Leermeester

File:Jesus the teacher. Jan Luyken etching. Bowyer Bible.gif

Jezus de leerkracht - Jan Luyken

De man die aan een waterput aanhaalde: “Iedereen die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen”, liet weten dat al wie van het water drinkt dat hij zal geven, nimmermeer dorst zal krijgen, maar het water dat Jezus hem of haar zal geven, zal in hem een bron van water worden dat opborrelt om eeuwig leven te schenken. Jezus zijn voedsel is, dat hij niet zijn eigen wil doet, maar de wil van Hem die hem heeft gezonden. Als zoon van zijn Vader is Jezus hier op aarde geplaatst om Gods werk te voleindigen. (Johannes 4:3-43)

Door middel van Zijn profeten heeft God steeds onderricht gegeven en de mogelijkheden overhandigd om verder vooruit te kunnen in dit leven. Zijn zoon komt nu de Woorden van zijn Vader verder verduidelijken. Hij doet dit doormiddel van gelijkenissen en verdere uitleggingen en vermaningen. Zo wil hij raadsels van weleer doen opborrelen zodat het heilige geheim, “dat voor de voorbijgegane samenstelsels van dingen en voor de voorbijgegane geslachten verborgen was” openbaar kon gemaakt worden. (Psalm 78:2; Mattheüs 13:35; Romeinen 16:25; Efeziërs 1:9; 3:9; Kolossenzen 1:26)

Geen uur of enige weergesteldheid noch bergen of waters houden hem tegen om diegenen die willen luisteren verduidelijking van de Heilige Schrift te geven en te vertellen over zijn Vader. Dikwijls heeft hij geen tijd om zich terug te trekken en blijven mensen hem omringen om hem te horen en wonderen van hem te zien. Maar om te bidden, tot zijn Vader, in de woestijn trekt hij zich telkens weer terug. (Lukas 5:15-16; Markus 1:45)

Vele jaren had het Joodse Volk moeten wachten om de nakomelingschap van Abraham en David bevestigd te zien worden in de volbrenger van de vrede. Voor hen stond een man die rust, kalmte en vrede uitstraalde en ongelofelijke dingen kon doen en zeggen. Hij had zulk een ongelofelijke kennis van de Oude Geschriften en kon ze zo vlot uit leggen, als geen ander geestelijk leider. Voor hen stond een Meester-Leraar of Meester-Onderwijzer die zijn gelijke niet kon vinden. Ook al wensten anderen hem er dikwijls in te luizen of op het verkeerde pad te brengen, viel hij niet in hun val en wist hij hen door zijn kalme woorden op hun plaatst te zetten.

In feite zijn de meeste mensen enkel in Jezus geïnteresseerd als meester-verteller en wonderdoener, niet als iemand die als Heer gediend en onzelfzuchtig nagevolgd dient te worden. Zij zien niet graag dat iemand hun kijk op de dingen of hun levenswijze verstoort. Zij willen niet dat de boodschap zo ver doordringt. Om die reden zegt Jezus ook: „Daarom spreek ik tot hen door middel van illustraties, omdat zij, ofschoon zij kijken, tevergeefs kijken, en ofschoon zij horen, tevergeefs horen, noch de betekenis ervan begrijpen; en ten aanzien van hen gaat de profetie van Jesaja in vervulling, welke luidt: ’. . . Want het hart van dit volk is onontvankelijk geworden.’” „Gelukkig zijn uw ogen echter”, zegt Jezus vervolgens, „omdat ze zien, en uw oren omdat ze horen. Want voorwaar, ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd de dingen te zien die gij aanschouwt en hebben ze niet gezien, en de dingen te horen die gij hoort en hebben ze niet gehoord.” (Markus 4: 1-2, 9-13, 22-25,33-34; Mattheüs 13:10-15; Lukas 8:4-18; Ezechiël 12:2)

Het is Jezus’ bedoeling dat zijn illustraties begrepen worden, opdat er waarheid aan anderen meegedeeld wordt. „Wordt er soms een lamp gehaald om onder een korenmaat of onder een bed gezet te worden?” vraagt hij. Nee, ’ze wordt gehaald om op een lampestandaard te worden gezet’. Derhalve voegt Jezus eraan toe: „Schenkt daarom aandacht aan de wijze waarop gij luistert.”

Hoewel de mensen er bij Jezus regelmatig op aandringen om bij hen te blijven, zegt hij tot hen: „Ik moet ook aan andere steden het goede nieuws van het koninkrijk Gods bekendmaken, want hiertoe werd ik uitgezonden.” Hij maakt hen duidelijk dat hij door zijn Vader naar de aarde is gezonden om zijn Vader beter te laten leren kennen en om het Koninkrijk van God te komen prediken.

Zijn woorden zet hij kracht bij door wonderbare genezingen om te bewijzen dat hij door God gezonden is. (Markus 1:35-39; Lukas 4:42, 43; 8:1; Mattheüs 4:23-25.) Hij is de Gezalfde uitgezonden om de zachtmoedigen Goed Nieuws te vertellen, te troosten en gerechtigheid voort te brengen. (Handelingen der Apostelen 10:38; Jesaja 61:1-3; 42:1-2) Door de faam die hij geniet reizen velen naar de afgelegen plaatsen waar Jezus vertoeft en ondernemen zelfs halsbrekende toeren om hem toch maar aan het werk te kunnen zien en horen. Huizen vulden zich zodanig dat er binnenin geen plaats meer was. (Markus 2:1-12; Lukas 5:17-26) Jezus kon door zijn getuigenis en handelingen ook aantonen dat hij de autoriteit van God had gekregen. (Mattheüs 9:1-8; Johannes 17:2)

Als leraar vindt hij zich ook niet te min om met verdrukten en verstotenen te praten. Als de Farizeeën zien dat Jezus met zulke mensen op het feestmaal aanwezig is, vragen zij aan zijn discipelen: „Waarom eet uw leraar met belastinginners en zondaars?” Jezus hoort hun vraag en antwoordt de Farizeeën: „De gezonden hebben geen geneesheer nodig, maar zij die iets mankeren wel. Gaat dan heen en leert wat het zeggen wil: ’Ik wil barmhartigheid en geen slachtoffer.’ Want ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.” Jezus veracht zulke mensen niet en gaat met hen om teneinde hen te helpen in een goede verhouding tot God te geraken. (Mattheüs 9:9-13; Markus 2:13-17; Lukas 5:27-32.)

Bij de aanvang van Jezus openbaar leven zijn er veel nieuwsgierige mensen die de verteller wel eens in het echt willen zien. Eerst stonden de Nazareners verbaasd over Jezus aangename woorden maar later namen zij aanstoot aan zijn onderwijs en probeerden hem te doden. Barmhartig doet Jezus pogingen om zijn vroegere stadsgenoten te helpen en inzicht te geven. Terwijl in andere plaatsen de mensen in drommen naar Jezus toe komen, doen zij dat daar blijkbaar niet. Daarom gaat hij op de sabbat naar de synagoge om te onderwijzen. De meeste van zijn toehoorders staan versteld. „Waar heeft deze man die wijsheid en deze krachtige werken vandaan?” vragen zij. „Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En zijn zijn zusters niet allen bij ons? Waar heeft deze man dan dit alles vandaan?”

’Jezus is gewoon een man uit deze stad, net als wij’, redeneren zij. ’Wij hebben hem zien opgroeien en wij kennen zijn familie. Hoe kan hij nu de Messías zijn?’ Dus ondanks alle bewijzen — zijn grote wijsheid en wonderen — verwerpen zij hem. Jezus meldt nog: „Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen gebied en onder zijn bloedverwanten en in zijn eigen huis.” (Mattheüs; 13:54-58; Johannes 4:44; 7:15; Markus 6:1-6; Lukas 4:24.)

Als een goed leerkracht weet Jezus opmerkelijk zijn kalmte te bewaren, buiten enkele zeldzame gevallen als het om het huis van zijn vader gaat. Verder wordt hij niet boos, blijft steeds rustig uitleggen en durft keer op keer dingen opnieuw verduidelijken. Hij illustreert zijn corrigerende onderwijs door gebruik te maken van het voorbeeld van jonge kinderen, die van nature bescheiden en vrij van eerzucht zijn en die in hun omgang met elkaar doorgaans niet in termen van positie denken. Aldus toont Jezus aan dat zijn discipelen eraan moeten werken de hoedanigheden te ontwikkelen waardoor nederige kinderen worden gekenmerkt. Zoals Jezus besluit: „Wie zich als een mindere onder u allen gedraagt, die is groot.”En hij gedroeg zich steeds al mindere onder de mens. (Mattheüs 17:22-27; 18:1-5; Markus 9:30-37; Lukas 9:43-48.)

Jezus is zelfs een bijzondere leraar van de hoogste orde. Vroeger had God priesters tussen Hem en de mens aangesteld, maar nu heeft God ons allen een hogepriester naar de wijze van Melchizédek gegeven. (Hebreeën 5: 6-9; 6:20; 7:17; Psalm 110:4) Hij is nu de enige noodzakelijke bemiddelaar. (1 Timotheüs 2:5; Hebreeën 8:6; 9:15; 12: 24)

13.Gods zoon, Een op te richten tempel

File:Bellotto Jesus Cleansing the Temple.jpg

Reiniging van de tempel door Jezus - Bernardo Bellotto (1721–1780) 1773

In Jeruzalem roept Jezus „Maakt het huis van mijn Vader niet langer tot een huis van koopwaar!” in de tempel. Het gebedshuis is niet voor verering van hem maar voor verering van zijn vader Jehovah God. Hijzelf is een tempel van God.

Als Jezus zegt: „Breekt deze tempel af en in drie dagen zal ik hem oprichten.” denken de joden dat Jezus het over de letterlijke tempel heeft, en daarom vragen zij: „Deze tempel werd in zesenveertig jaar gebouwd, en zult gij hem in drie dagen oprichten?” Jezus spreekt echter over de tempel van zijn lichaam. Drie jaar na die gebeurtenis herinneren zijn discipelen zich deze uitspraak van hem als hij is opgewekt. (Johannes 2:12-22; Mattheüs 13:55; Lukas 4:23.)

Deze Jezus is de goedgekeurde, die zich Zoon van Allerhoogste mag noemen (Lukas 1:28-32; 9:35; Mattheüs 3:16-17) en zo wel hogepriester als tempel mag zijn. De rol die Gods speciale menselijke Zoon vervult, is van het allergrootste belang. „Zoals Mozes in de wildernis de slang heeft omhooggeheven,” zegt Jezus tegen Nikodémus, „zo moet ook de Zoon des mensen omhoog geheven worden, opdat een ieder die in hem gelooft, eeuwig leven zal hebben.” Ja, net zoals de Israëlieten die door giftige slangen gebeten waren naar de koperen slang moesten kijken om gered te worden, zo moeten alle mensen geloof oefenen in Gods Zoon om uit hun stervende toestand gered te worden.

Duidelijk spreekt God over de tempel van zijn Vader, en niet over hem die reïncarneerde, maar over de speciale geboorte waar zijn Vader voor gezorgd heeft van die eniggeboren zoon.
Jezus zegt tegen Nikodémus: „God heeft de wereld zozeer liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die geloof oefent in hem, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben.” En legt Nikodémus verder uit: „Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld uitgezonden opdat hij de wereld zou oordelen”, dat wil zeggen, niet om er een ongunstig oordeel over uit te spreken of de wereld te veroordelen door het mensdom tot de vernietiging te doemen. In plaats daarvan was Jezus, zoals hij zegt, gezonden „opdat de wereld door bemiddeling van hem gered zou worden”. (Johannes 2:23–3:21)

File:Die Taufe Christi.png

De Heilige Geest van God boven Christus legt getuigenis af over Zijn zoon de eniggeborene. - Die Taufe Christi 1450

Jezus zegt „Evenals de Vader de doden opwekt, zo maakt ook de Zoon levend wie hij wil.” „Wie mijn woord hoort en hem gelooft die mij heeft gezonden,” zegt Jezus, „is uit de dood tot het leven overgegaan.” Ja, zo vervolgt hij: „Het uur komt, en is nu, waarin de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en zij die er acht op hebben geslagen, zullen leven.” „Het zijn . . . de werken zelf die ik doe, die getuigenis over mij afleggen dat de Vader mij heeft gezonden.” Maar daarbij komt dan nog, zoals Jezus vervolgens zegt: „De Vader zelf, die mij heeft gezonden, heeft getuigenis over mij afgelegd.” God had bijvoorbeeld bij Jezus’ doop getuigenis over hem afgelegd met de woorden: „Dit is mijn Zoon, de geliefde.” (Johannes 5:17-47; 1:19-27; Mattheüs 3:17)

Daar ligt de hoop in voor de mensheid dat het een mens was, gegeven door God, die de plaats innam voor de eerste man Adam. Hij als mens kon voelen en denken als een mens en zo ook weten wat er in de mens omging. Na zijn dood zou hij opstijgen naar zijn Vader tot wie hij dan voor de mensen kan opkomen.

Ieder van ons heeft de keuze om vrij de wereld te volgen met haar verwrongen gedachten of de werkelijke Waarheid. Aan ieder is het vrij om geloof te oefenen in de zoon ofwel vast te houden dat hij iemand anders is, namelijk de Vader zelf. Maar Vader en zoon zijn twee verschillende figuren. Van zijn Vader heeft Jezus wel eigenschappen geërfd, waardoor het normaal is dat wij in hem dan ook eigenheden van God kunnen zien.

Wij moeten beseffen dat wij gehoorzaamheid in Jezus moeten opbrengen willen wij eeuwig leven genieten. Door zijn naam is het dat wij leven mogen hebben en als naamdrager Christen te zijn moeten wij dan ook anderen laten zien dat wij Christus Jezus , de zoon van God, volgen. Naar hem moeten wij luisteren. (Johannes 3:36; 20:31; Lukas 9:35; Handelingen der Apostelen 3:22)

14.Vervolgd

Als Jezus in een synagoge in Kapernaüm onderwijs geeft over de rol die hij vervult als het ware brood uit de hemel, verder ingaand op een discussie die was ontstaan met de mensen toen zij hem vonden nadat zij waren teruggekeerd van de oostkant van de Zee van Galilea, waar zij hadden gegeten van de door een wonder verschafte broden en vissen, komt er veel wrevel.

De mensen nemen echter aanstoot aan Jezus’ woorden. „Hoe kan deze man ons zijn vlees te eten geven?”, vragen zij. Jezus wil dat zijn toehoorders begrijpen dat het eten van zijn vlees figuurlijk bedoeld is. Om hierop de nadruk te leggen, zegt hij daarom iets wat nog weerzinwekkender is als het letterlijk wordt opgevat. „Indien gij het vlees van de Zoon des mensen niet eet en zijn bloed niet drinkt,” verklaart Jezus, „hebt gij geen leven in uzelf. Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken; want mijn vlees is waar voedsel en mijn bloed is ware drank. Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, blijft in eendracht met mij en ik in eendracht met hem.”

Het in eendracht zijn met Christus Jezus is echter precies niet zulk een makkelijke opdracht omdat de wereld zo verleidelijk is. Door andere leerstellingen en favoriete denkwijzen kunnen velen tot struikelen worden gebracht.(Johannes 6:51-71; 3:16)

Jezus vervolgt: „Daarom heb ik u gezegd: Niemand kan tot mij komen, tenzij het hem door de Vader gegeven is.” Hierop gaan veel van zijn discipelen weg en volgen hem niet langer. Daarom wendt Jezus zich tot zijn twaalf apostelen en vraagt: „Wilt ook gij niet heengaan?”Geen één mens kan God iets aan doen, terwijl God al de macht heeft. Enkel Jehovah kan iemands „ziel” (waarmee in dit geval zijn vooruitzichten op een toekomstig bestaan als levende ziel worden bedoeld) vernietigen of kan iemand uit de dood opwekken tot eeuwig leven. Jezus was beperkt in macht en ook al verrichte hij wonderbaarlijke genezingen en bracht hij zelfs mensen uit de dood, was het niet hij die dat werkelijk deed, maar de Vader via hem.

De aanwezigheid van Jezus kan geen vrede garanderen, integendeel lokt het verdeeldheid. Terwijl een groep Jezus tot koning wil maken lokt dat nog meer wrevel tegen hem uit. Men zoekt verscheiden manieren om zich van Jezus te ontdoen. Zelfs ter wille van Jezus zullen anderen lastig gevallen worden en vervolgd omdat zij God, die Jezus gezonden heeft, niet echt kennen. (Mattheüs 10:16-42; 24:9; Lukas 21:7; Johannes 15:21; 16:3

Vel jaren, tot zelfs eeuwen na de geboorte van Jezus zal hij een onderwerp van haat en discussie zijn. Volgelingen van Jezus kregen al snel tegenwind en ondervonden het gevaar om onder vervolging te vallen. Velen gaven onder druk van de machtshebbers toe om zo ook hun eigen positie te vrijwaren. Door het wankelen van de stellingen van het geloof kwamen nog meer scheuringen in de religies. Verscheidene die de naam van de vrededrager uit Nazareth dragen hebben het onder de machtsspelletjes ook begeven. De meeste zogenaamde volgelingen van Jezus Christus gaven toe aan die machthebbers en waren bereid water in hun wijn te doen en zelfs hun leerstellingen aan te passen aan bepaalde heidense gebruiken. De Wereld was hun heer.

Zoals Jezus trouw aan zijn Vader bleef, zijn er door de geschiedenis heen steeds mensen die getrouw zijn gebleven aan diegene die zij hun heer en meester aanschouwen op deze aarde. Zij verkiezen om niet in te gaan op de wereldse wensen of om te plooien naar tradities en wereldse gebruiken. Voor hen is de leerstelling van die voorname leermeester belangrijker dan de lering van enige andere wereldse leermeester of theoloog. Zij wensen Jezus als de Hoogste Leraar of Rabbi aan te nemen en volledig zijn leer te volgen. Dat maakt dat zij zich open stellen aan bespotting, beschimping en vervolging.

Maar feitelijk is deze niets in vergelijking met de zoon van God, die zonder smet was.

Velen stellen echter geloof in Jezus, en terecht. Hij heeft nota bene op water gelopen, stormen tot bedaren gebracht, onstuimige zeeën gekalmeerd, op wonderbare wijze duizenden met enkele broden en vissen gevoed, zieken genezen, kreupelen doen lopen, de ogen van blinden geopend, melaatsen genezen en zelfs doden opgewekt. Daarom vragen zij: „Wanneer de Christus gekomen is, zal hij dan soms meer tekenen verrichten dan deze man heeft verricht?”

Als de Farizeeën de schare over deze dingen horen mompelen, zenden zij en de hogepriesters beambten uit om Jezus te arresteren.(Johannes 7:11-32.)

Als Jezus vraagt „Waarom zoekt gij mij te doden?” kan de schare, die waarschijnlijk uit bezoekers van buiten de stad bestaat, zich niet indenken dat zo iets mogelijk is. Zij zijn zich van zulke pogingen niet bewust. Hoe zou het trouwens kunnen dat men zulk een geweldige onderwijzer zou willen weg hebben? Daarom geloven zij dat er iets met Jezus mis is dat hij zoiets gelooft. „Gij hebt een demon”, zeggen zij. „Wie zoekt u te doden?”
De joodse leiders willen Jezus dood hebben, ook al beseft de schare dit misschien niet. Toen Jezus anderhalf jaar eerder een man op de sabbat had genezen, hadden de leiders geprobeerd hem te doden. Vandaar dat Jezus nu laat zien hoe onredelijk zij zijn door hun vragen. Inwoners van Jeruzalem, die de situatie doorzien, zeggen nu: „Is dit niet de man die zij zoeken te doden? En zie nu eens, hij staat in het openbaar te spreken, en zij zeggen hem niets. Zouden de regeerders soms met zekerheid te weten zijn gekomen dat dit de Christus is?” Deze inwoners van Jeruzalem leggen uit waarom zij niet geloven dat Jezus de Christus is: „Wij weten . . . waar deze man vandaan is; wanneer echter de Christus komt, zal niemand weten waar hij vandaan komt.”
Jezus antwoordt: „Gij kent mij en ook weet gij waar ik vandaan ben. Bovendien ben ik niet uit eigen beweging gekomen, maar Hij die mij gezonden heeft, bestaat werkelijk, en gij kent Hem niet. Ik ken Hem, omdat ik een vertegenwoordiger van Hem ben, en Hij heeft mij uitgezonden.” Nadat Jezus dit gezegd heeft, trachten zij hem te grijpen, misschien om hem in de gevangenis te werpen of ter dood te laten brengen. Toch slagen zij hier niet in, omdat Jezus’ tijd om te sterven nog niet is aangebroken. (Johannes 7:11-32)

Terwijl het Loofhuttenfeest nog aan de gang is, sturen de religieuze leiders politiebeambten erop uit om Jezus te arresteren. Jezus doet geen moeite zich te verbergen. Integendeel, hij blijft in het openbaar onderwijzen en zegt: „Nog een korte tijd blijf ik bij u en dan ga ik naar hem die mij heeft gezonden. Gij zult mij zoeken, maar gij zult mij niet vinden, en waar ik ben, kunt gij niet komen.”

De joden begrijpen dit niet, en daarom overleggen zij onder elkaar: „Waarheen is deze man van plan te gaan, zodat wij hem niet zullen vinden? Hij is toch niet van plan naar de joden te gaan die onder de Grieken verstrooid zijn en de Grieken te onderwijzen? Wat betekent dit gezegde, dat hij zei: ’Gij zult mij zoeken, maar gij zult mij niet vinden, en waar ik ben, kunt gij niet komen’?” Jezus heeft het natuurlijk over zijn naderende dood en opstanding tot leven in de hemel, waar zijn vijanden hem niet kunnen volgen.

Als reactie op Jezus’ onderwijs zeggen sommigen: „Dit is stellig De Profeet”, klaarblijkelijk doelend op de beloofde profeet die groter zou zijn dan Mozes. Anderen zeggen: „Dit is de Christus.” Maar weer anderen protesteren: „De Christus komt toch feitelijk niet uit Galiléa? Heeft de Schrift niet gezegd dat de Christus uit het nageslacht van David komt, en uit Bethlehem, het dorp waar David gewoonlijk was?”

Er ontstaat dus verdeeldheid onder de schare. Sommigen willen dat Jezus gearresteerd wordt, maar niemand slaat de hand aan hem. Als de politiebeambten zonder Jezus terugkomen, vragen de hogepriesters en Farizeeën: „Waarom hebt gij hem niet meegebracht?”
„Nooit heeft iemand anders op deze wijze gesproken”, antwoorden de beambten.
In hun woede verlagen de religieuze leiders zich tot hoon, een verkeerde voorstelling van zaken en beschimping. Zij zeggen minachtend: „Zijt gij soms ook misleid? Heeft soms een van de regeerders of van de Farizeeën geloof in hem gesteld? Maar deze schare, die de Wet niet kent, vervloekt zijn zij.” (Johannes 7:32-52; Jesaja 9:1, 2; Mattheüs 4:13-17.)

15.Afstand nemend van het leven

Jezus die zich voorstelt als de schaapherder en deur, zo als reeds eerder door Johannes de Doper aangekondigd, is de Voortreffelijke Herder, die bereidwillig zijn leven geeft voor de schapen in twee schaapskooien. „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen”, „Ik ben de deur; al wie door mij binnengaat, zal gered worden, en hij zal in- en uitgaan en weide vinden. . . . Ik ben gekomen opdat zij leven zouden hebben en het in overvloed zouden hebben. . . . Ik ben de voortreffelijke herder, en ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij, evenals de Vader mij kent en ik de Vader ken; en ik doe afstand van mijn ziel ten behoeve van de schapen.” (Johannes 10:1-22.)

16.Eén mens moet sterven voor allen

Johannes schreef in de tweede helft van de eerste eeuw: „Dit zei [Kajafas] evenwel niet uit zichzelf.” Volgens Johannes ’profeteerde Kajafas dat Jezus niet voor de natie alleen moest sterven toen hij zei: „Gij weet volstrekt niets, en gij overweegt niet dat het in uw belang is dat één mens sterft ten behoeve van het volk en niet de gehele natie wordt vernietigd.”, maar opdat Gods kinderen bijeengebracht zouden worden’. (Johannes 11:45-53; 17:20-21; Efeziërs 2:14; 1 Johannes 2:2)

De Mensenzoon, uitgezonden door God de Vader, was niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn ziel te geven als een losprijs in ruil voor velen. (Mattheüs 20:28) Als een lam zou hij naar de slachtbank gedragen worden om de zonden van de wereld weg te nemen. (Johannes 1:29; 3:17; 4:42; 6:51; 1 Johannes 4:14; Mattheüs 1:21)

Jeruzalem is een broeinest van verhitte discussies over Jezus. Het is algemeen bekend dat de religieuze leiders hem willen grijpen om hem ter dood te brengen. Zij hebben zelfs bevel gegeven dat als iemand weet waar Jezus zich ophoudt, hij dit aan hen moet melden. In de afgelopen maanden hebben deze leiders driemaal — op het Loofhuttenfeest, op het Inwijdingsfeest en nadat Jezus Lazarus had opgewekt — getracht hem te doden. (Johannes 11:53–57.)

In het besef dat hij nog maar enkele dagen te leven heeft veraanschouwelijkt hij zijn situatie passend door middel van een illustratie: „Het uur is gekomen dat de Zoon des mensen verheerlijkt moet worden. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Indien een tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij slechts één korrel; maar indien hij sterft, dan draagt hij veel vrucht.” Jezus is slechts één volmaakt mens, maar als hij getrouw aan God sterft, wordt hij het middel waardoor eeuwig leven wordt geschonken aan getrouwen die dezelfde geest van zelfopoffering bezitten als hij. Jezus zegt dan ook: „Hij die ten zeerste gesteld is op zijn ziel, vernietigt ze, maar hij die zijn ziel in deze wereld haat, zal ze bewaren voor het eeuwige leven.”

Als Jezus denkt aan het zware lijden en de smartelijke dood die hem te wachten staan, zegt hij vervolgens: „Nu is mijn ziel verontrust, en wat zal ik zeggen? Vader, red mij uit dit uur.” Ook later zal hij in de tuin van Getshemane het benauwd hebben en roepen op zijn Vader. Datgene wat hem te wachten staat kon niet vermeden worden. Jezus zegt: „Juist hierom [ben ik] tot dit uur gekomen.” Jezus stemt in met de gehele regeling van God, waar ook zijn eigen offerandelijke dood bij inbegrepen is. (Johannes 12:20-27; Lukas 12:50; 22:42; Hebreeën 5:7-10.) Hij beseft dat zijn bloed der besprenkeling, op een betere wijze spreekt dan Abels bloed, verlossing kan geven om dat het de ultieme losprijs is. Met hem kan een aflossing gegeven worden voor  de overtredingen onder het vroegere verbond. Want waar een verbond is, moet de dood van de menselijke verbondssluiter worden aangetoond. Want in die tijd was een verbond slechts geldig over dode slachtoffers, daar het nooit van kracht was zolang de menselijke verbondssluiter nog leefde. (Hebreeën 9:15-18; Mattheüs 26:28) In de dood van Jezus wordt het verbond voor een Koninkrijk bezegeld tussen God Jehovah, zijn zoon Jezus (Yeshua) en de mensheid. (Lukas 22:29)

File:Holbein avondmaal.jpg

Het Laatste Avondmaal - Hans Holbein de Jongere 1497/8 – 1543

Bij het Laatste Avondmaal, op 14 Nisan bij de viering van het Pascha, zegt Jezus bij het uitdelen van het brood „Dit betekent mijn lichaam, dat ten behoeve van u gegeven zal worden.” En bij de beker „Deze beker betekent het nieuwe verbond krachtens mijn bloed, dat ten behoeve van u vergoten zal worden.” Met Christus Jezus is het Paaslam geslacht die dan naar zijn Vader terugkeert. (Mattheüs 26:21-29; Markus 14:18-25; Lukas 22:19-23; Johannes 13:18-30; 17:12; 1 Korinthiërs 5:7.)

Judas Iskariot is ingegaan op de uitnodiging zijn meester te verraden en met een verraderskus laat hij de soldaten zien wie zij vast moeten grijpen. (Lukas 22:3-5, 47-48; Mattheüs 26:48; Markus 14:45)

Jezus vraagt de schare. „Zijt gij met zwaarden en knuppels als tegen een rover uitgetrokken, om mij gevangen te nemen?” Er waren nochtans genoeg gelegenheden om Jezus gevangen te nemen of te doden. „Dag aan dag zat ik in de tempel te onderwijzen, en toch hebt gij mij niet in hechtenis genomen. Maar dit alles is geschied opdat de geschriften van de profeten in vervulling zouden gaan.” (Mattheüs 26:47-56; Markus 14:43-52; Lukas 22:47-53; Johannes 17:12; 18:3-12.)

17.Gestorven en begraven

File:Hungarianpraymanuscript1192-1195.jpg

Jezus begrafenis; Hongaars manuscript van 1192-1195

Terwijl God geest is die niet kan sterven en eeuwig is had Jezus een begin, een geboorte, een opgroeiïngsfase, een volwassen leven en moest hij de dood onder ogen zien. Na zijn dood werd hij begraven, waardoor er ook sprake van is dat Jezus drie dagen in de hel (=het graf) verbleef, waar geen kennis of gevoelens meer zijn. Nadat hij daar was uit opgestaan bleef hij een door littekens gemerkt lichaam hebben. (Genesis 6:3; 1 Samuel 2:6; Predikers 9:10; Jesaja 14:15; 28:15; 38:10,18; 53:9; Mattheüs 27:60; Johannes 4:24; 2 Korinthiërs 3:17; Johannes 20:24-29; Handelingen der Apostelen 13:29)

File:CROSS The Bad Thief Crucified beside Jesus by Antonello da Messina AntwerpGallery.jpg

Hoe mensen ten tijde van Jezus Christus werden opgehangen bij een ter dood veroordeling - fragment: De slechte dief naast Jesus - Antonello da Messina (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen)

Op Golgotha (of Schedelplaats) wordt Jezus met zijn handen boven zijn hoofd, languit op een paal gelegd waarop de soldaten vervolgens grote spijkers door zijn handen en voeten slaan. Jezus, die mens van vlees en bloed is, al zwaar gepijnigd door de geselingen en bespottingen, krimpt ineen van pijn als de spijkers zijn vlees en gewrichtsbanden doorboren. Wanneer de paal met een zwaai rechtop wordt gezet, is de pijn ondraaglijk, daar het gewicht van het lichaam aan de spijkerwonden trekt. Maar in plaats van te dreigen, bidt Jezus voor de Romeinse soldaten: „Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.”

Meegesleept door de geest die er heerst, drijven ook de soldaten, nadat zij zijn bovenklederen verdeeld hebben, de spot met Jezus. Zij bieden hem honend zure wijn aan, die zij blijkbaar alleen maar vlak voor zijn droge lippen houden. „Als gij de koning der joden zijt,” schimpen zij, „red dan uzelf.”

Ook brachten zij in opdracht van Pilatus boven zijn hoofd, in geschrifte de tegen hem ingebrachte beschuldiging aan: „Jezus de Nazarener, de koning der joden.” in drie talen: het Hebreeuws, het officiële Latijn en het algemene Grieks. Dit kennelijk niet slechts uit respect voor Jezus, maar omdat Pilatus een afschuw heeft van de joodse priesters die hem ertoe hebben geprest Jezus ter dood te veroordelen. (Mattheüs 27:33-44; Markus 15:22-32; Lukas 23:27, 32-43; Johannes 19:17-24.)

Omtrent het zesde uur van de dag, d.w.z. omstreeks 12 uur ’s middags. , viel er een duisternis over het gehele land, tot aan het negende uur toe. Omstreeks het negende uur riep Jezus met een luide stem en zei: „Eli, Eli, lama sabachtháni?”, dat wil zeggen: „Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?” Weer eens kunnen wij horen dat Jezus en God twee verschillende personen zijn, waarvan Jezus nu roept dat de ene hem zou verlaten hebben. Ook roept Jezus uit dat hij zijn geest (zijn gehele lichaam en leven) in de handen van zijn Vader toevertrouwd, waarna hij zijn laatste adem uitblies. Daarvoor had Jezus nog geroepen: „Het is volbracht!”

Met de dood van deze Nazareen mogen wij verzekerd zijn dat het deze profeet was die alles waarvoor zijn Vader hem naar de aarde had gezonden ten uitvoer heeft gebracht.

De hevige aardbeving en andere vreemde verschijnselen, waaronder zelfs doden die zichtbaar uit de graven komen en gaan rondlopen, geworden dode lichamen zien, doen de waarde van deze ten onrecht ter dood gebrachte man inzien. Daar de legeroverste zag wat er gebeurde, ging hij God verheerlijken en zei: „Deze mens was werkelijk rechtvaardig.” „Waarlijk, dit was Gods Zoon.”

Ook Jezus kon nu tot stof terugkeren, maar God heeft dat anders voorzien in Zijn Plan. Zoals de voorgaande ontslapenen mocht ook hij na drie dagen uit het graf opstaan. Het is niet Jezus die uit eigen kracht is opgestaan, maar God die hem heeft opgewekt door de smarten van de dood te ontbinden. (Mattheüs 27:45-56; 58-61, 64; 28:1-7; Markus 15:33-42 -16:4; Lukas 23:44-24:3,10; 2:34, 35; Johannes 19:14, 25-42; 20:1-18; Psalm 9:13; 104:29; Jesaja 53:12; Handelingen der Apostelen 2:24; 2 Timotheüs 2:8; 1 Korinthiërs 15:4)

18.Waarheid te nemen of te laten

„Oefent geloof in God.” Zegt Jezus maar voegt eraan toe: „Oefent ook geloof in mij.” „Wie mijn geboden heeft en ze onderhoudt, die is het die mij liefheeft. En wie mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden, en ik zal hem liefhebben en zal mij duidelijk aan hem laten zien.” Ook belooft Jezus: „De helper, de heilige geest, die de Vader in mijn naam zal zenden, die zal u alle dingen leren en alle dingen welke ik u heb gezegd, in uw herinnering terugbrengen.” „Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijngaardenier” Jezus zit nu aan de rechterhand van zijn Vader, die ook genegenheid voor ons heeft zoals Hij deze had voor zijn zoon Jezus Christus.

Het is in de Vader van Jezus dat wij het volste vertrouwen moeten hebben en Hem alleen aanbidden. Enkel door voortdurend kennis in ons op te nemen van de enige ware God, en van hem die Jehovah heeft uitgezonden, kunnen wij redding en eeuwig leven verkrijgen. (Johannes 14:1–17:26; 13:27, 35, 36; 10:16; Spreuken 8:22-23, 30.)

In Christus kunnen wij de eigenschappen van zijn Vader Jehovah God herkennen, zoals wij bij de kinderen van aardse ouders ook gelijkaardigheden bij de ouders er van aantreffen. Zoals bij aardse mensen worden en zijn deze kinderen nooit hun ouders of voorouders. Zo is Jezus wel degelijk een ander persoon dan zijn Vader tot wie hij ook bidt en smeekt. Hij is niet hypocriet om tot zichzelf te bidden en is ook geen gespleten persoonlijkheid die op bepaalde ogenblikken bepaalde zaken niet weet en andere ogenblikken alles weet.

Indien wij ons Christen willen noemen moeten wij ook die naam waardig dragen en Jezus Christus volgen. Hij onderrichte steeds over zijn Vader, tot wie hij bad en tot wie hij ons ook leerde bidden. Enkel die Vader van Jezus mogen wij aanbidden en zijn Naam moeten wij zoals ook Jezus deed kenbaar maken aan anderen.

De Vader van Jezus (Yeshua) is Jehovah die de Schepper van hemel en aarde is en een goddelijk Plan heeft om ons wereldvrede te brengen. God heeft de wereld een mogelijkheid gegeven om uit haar miserie te geraken. Maar de wereld moet ze ook aangrijpen. De Woorden van God zijn opgetekend en overgeleverd aan de mensheid. Wij hebben de keuze om deze al of niet aan te nemen, te geloven of ze in de wind te slaan en eerder menselijke teksten als waarheid aan te nemen.

Voor Jezus, de zoon van God, was de keuze duidelijk. Hij ging voor zijn Vader en spoorde anderen dat ook aan. Door middel van parabels of vergelijkingen trachtte Jezus duidelijk te maken wat wij horen te doen en wat wij kunnen verwachten als wij het ene of het andere doen.

19.Wat wenst u te geloven?

Indien u wenst Christus Jezus te volgen moet u zelf de lessen uit het Woord van God trekken en de teksten uit de Bijbel laten doordringen in uw denken. Deze woorden kunnen u inzicht geven en verder vormen om zo tot de Waarheid te komen.

Zoals u voorgaand kon lezen is Jezus steeds die eenvoudige man van Joodse afkomst gebleven. Ofwel kan u de gegevens uit de Bijbel negeren of kan u inzien dat die bijzondere krachten die hij had werkelijk van God kwamen. Hij verkoos de Wil van zijn Vader te volgen, wat wenst u te doen?

Als u aanvaardt dat Jezus de gezondene en de lang verwachte eniggeboren zoon van God is, kan u verder stappen ondernemen om dat geloof om te zetten in daden die vruchten kunnen dragen.

Bent u gelijk de ongelovige Thomas die eerst moet zien om dan te kunnen geloven, of durft u af te gaan op wat er in het Woord van God, het Boek der Boeken, de Bijbel is geschreven?

20.Zij die voor ons waren

U zou kunnen zeggen dat diegenen die voor ons leefden het beter zouden kunnen weten dan wij.

Indien die mensen de Heilige Geschriften goed zouden hebben gelezen, zouden zij aan de hand van de vele profetieën kunnen opmaken wie die zoon van Maria, uit de stam van David, die beloofde Messias was, waar al eeuwen werd over uit gesproken en naar toe gezien.

Vandaag hebben wij nog meer gegevens dan diegenen die eeuwen geleden leefden. Ook zijn er meer mensen die verkondigen zodat meer mensen in aanraking kunnen komen met het Goede Nieuws. Ook zijn er meerdere Bijbelvertalingen waardoor men de Heilige Schrift wel zal kunnen lezen in een taal die men begrijpt.  Van het begin van onze tijdrekening en later, tot ons toe zouden beter moeten weten.

Met de mogelijkheden van vandaag zouden wij zeker die beloofde Verlosser moeten kunnen herkennen, leren kennen en beseffen hoe in de voorgaande eeuwen de profetieën steeds vervuld zijn geraakt. Zo ook is de belofte van de Verlosser waarheid geworden en ligt er nu voor onze voeten de belofte van het Beloofde Land en het Koninkrijk van God.

In de wereld heeft men verschillende heren. De heer Jezus zou van de wereldse mannen voor ons de hoogste op aarde moeten zijn.
Het kind dat ons gegeven is (Jesaja 9:6) was minder dan God. Hijzelf gaf toe dat de Vader groter was dan hij. (Johannes 14:28) Ook al was hij door de Heilige Geest in de maagd Maria geplaatst en had hij daardoor ook eigenschappen van God, beoogde hij nooit als God te zijn, die ook volgens hem ook Enig was. Als een slaaf verbleef hij hier op deze vijandige wereld om de Naam van God te prediken en de Goede of Blijde Boodschap te brengen van het Koninkrijk Gods. Tot in zijn dood gehoorzaamde hij aan de Wil van zijn Vader. (Filippenzen 2:5-6)

Het is nooit te laat om van gedachten te veranderen. Zo ook is het nooit te laat om de valse religie opzij te schuiven en te kiezen voor de Bijbelse Waarheid.

Ook al zijn er velen, en kunnen deze zelfs de meerderheid vormen, die willen blijven beweren dat Jezus God is, zouden u en ik veel beter moeten weten. De kennis van de plaats van Jezus en zijn Vader moet er ons toe brengen de juiste stappen te ondernemen.

21.Verheerlijking van de Juiste

Ook al vroeg Jezus dat hij verheerlijkt zou worden, wenste hij niet aan God gelijk te zijn en stond er ook op dat wij enkel God de Allerhoogste zouden aanbidden. (Johannes 17:5; Mattheüs 4:10; Johannes 4:23,24)

Jezus is komen getuigen van zijn Vader. (Openbaring van Johannes 1:1; 3:14; Johannes 18:37) Ook hij die als het hoofd van iedere man zal kunnen optreden zal zich aan zijn Vader onderwerpen en het Koninkrijk weer overdragen aan de God van alle goden. (Johannes 20:17; 1 Korinthiërs 11:3; 15:28)

Jezus is de goedheid en liefde openbaar gemaakt. Met hem hebben wij van God een voorspreker, een advocaat en bemiddelaar gekregen.
Hij werd door God goedgekeurd. Dit werd al kenbaar gemaakt bij zijn doopsel, waar God hem ook als Zijn zoon erkende. (Lukas 3:21-23) Laten wij als de apostelen hem als Messias herkennen (Johannes 1:40,41) en zijn Zoenoffer als een zaligmakende Verlossing aannemen.

22.Reden om te volgen

Laten wij Jezus volgen die van Nazareth was en door God was voorzien van kracht. Hij was de voorspelde profeet die redding zou brengen en voor onze zonden zou sterven aan een paal. (Micha 5:2; Jeremia 23:5-6; Mattheüs 1:1,6-16) Hij is de waarheid die mensen vrij maakt. (Johannes 8:12-36)
Als wij aan de zijde van de Waarheid willen staan moeten wij luisteren naar Jezus’ stem. (Johannes 18:37). Om dit te doen kunnen wij best de Evangeliën lezen in het Nieuwe Testament.
Hiertoe nodigen wij u uit om dit samen met ons te doen en het Goede Nieuws met elkaar te delen.
Laten wij samen De Weg op gaan en Jezus als onze Heer aanvaarden en vervolgens zijn leer leven en handelen en de ene ware God loven en eren, de Heer des Heren, de Allerhoogste Elohim Hashem Jehovah God, wiens Naam heilig is.

Een discipel van Jezus zijn, houdt moeilijkheden en vervolging in, zoals Jezus ons laat weten: „Wie zijn martelpaal niet draagt en niet achter mij komt, kan mijn discipel niet zijn.” Een ware discipel moet dus bereid zijn dezelfde smaad te ondergaan die Jezus verduurde, wat eventueel zelfs kan inhouden dat hij door Gods vijanden wordt gedood, zoals dit met Jezus gebeurde. (Lukas 14:25-35; Mattheüs 5:13.)

Maar wees er van bewust: het loont de moeite en loontje zal zeker om zijn boontje komen.

Door te kiezen voor God en Zijn zoon is er ons een verzekerde toekomst.
Kiest u daar ook voor?

Lees ook:

Hoop op een man

Is God Drie-eenheid

De ene Ware God Zijn Naam is Jehovah/Jahweh, en zijn Naam is heilig

Artikelen over de Naam van God, , , , Jahweh

Artikelen onder namen van Gods zoon: Jezus, Jesus, Yeshua, Yashua, , ,

Onschuldig Lam

Op wie hoop stellen

Priesterschap van Jezus Christus

Redenen dat Jezus niet God is

Rond God de Allerhoogste

Rond Jezus

Teken van het Verbond

Terugkeer van Jezus

Voorbestaan Jezus

Werking van de Hoop

Wat te vinden in de Bijbel

Jezus, Zoon van God

+++

8 Responses to Jezus, Heer maar niet God

  1. Pingback: De verkeerde held | Broeders in Christus

  2. Pingback: Het begin van Jezus #8 Beloofde Gezalfde zoon van God | Broeders in Christus

  3. Pingback: Filippenzen 1 – 2 « Christadelphians : Belgian Ecclesia Brussel – Leuven

  4. Pingback: Het belang van het lezen van de Schrift « Christadelphians : Belgian Ecclesia Brussel – Leuven

  5. Pingback: Politiek en macht eerste prioriteit #2 Arianisme, Nestorianisme en Monofysitisme « Belgian Biblestudents – Belgische Bijbelstudenten

  6. Pingback: Vernieuwing in de kerk en verzoek om terug naar de bron te gaan « Bijbelvorser = Bible Researcher

  7. Pingback: Hermeneutiek om uit te dragen #8 Tegenspraak | Broeders in Christus

  8. Pingback: Schepper en Blogger God 2 Beeld en gelijkenis | Bijbelvorser = Bible Researcher

Laat een Reactie achter - Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s