Overdenking: De verrezen Christus in het leven van Paulus

Kort voor het middaguur, op de weg naar Damascus, had Saulus vanTarsus niet kunnen dromen dat hem drie dagen later zou worden bevolen zijn zonden te laten afwassen.

“Een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een Farizeeër”,

zo beschreef hij zichzelf later (Filippenzen 3:5). Hij was iemand uit de partij van ‘de Reinen’, de Afgezonderden. Zijn hele leven was gebouwd op het fundament van de Wet van Mozes.

“Aan wat er in de wet over gerechtigheid staat, voldeed ik volledig” (vers 6).

Welke andere gerechtigheid kon er zijn?
Kunnen wij in de felheid van zijn christenvervolging wellicht een innerlijk motief zien?
Had hij met zijn scherpzinnig intellect al begrepen, dat als Jezus uit de doden was opgestaan, er gerechtigheid zou zijn buiten de Wet om?

Die Jezus beweerde niet alleen dat hij de Wet vervulde, maar dat hij méér dan de Wet was. De Farizeeërs, die de Wet probeerden te omringen met een omheining van tradities en regels, noemde hij “huichelaars” en “addergebroed”. De hele strekking van zijn leer zou vereisen, dat als hij uit de doden was opgestaan, er wèl een andere weg ten leven bestond. Maar voor de Farizeeër Saulus was dit onmogelijk. Als hypothese was het al volledig onacceptabel. Als denkbeeld ondermijnde het de levensstructuur die hij door “werken der wet” had opgebouwd. Als bewezen feit zou het zijn leven in één klap op zijn kop zetten. Die opstanding van Jezus moest eenvoudig bedrog zijn. Vandaar zijn “tomeloze woede” tegen de volgelingen van “de Weg”, als van iemand wiens innerlijke zekerheid wordt bedreigd. Zo’n houding steunt niet op bewezen feiten, het is een uiting van gebrek aan geloof en toont de symptomen van innerlijke onzekerheid.

Toen hij plotseling door een verblindend licht overrompeld werd, en de stem hoorde:

“Ik ben Jezus, die jij vervolgt” (Handelingen 26:15),

werd hij geconfronteerd met de feiten. Jezus was niet slechts opgestaan en levend, hij was zelfs bekleed met de heerlijkheid van de zoon van God.
Als Saulus de heiligen vervolgde, streed hij dus tegen God zelf. Op slag besefte hij dat hij de ergste zondaar was van allen! En toen Ananias hem blind en vastend aantrof, aanvaardde hij met blijdschap het gebod (en alles wat dat inhield), dat hij drie dagen eerder nog met verachting verworpen zou hebben:

“Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen, terwijl je zijn naam aanroept.” (Handelingen 22:16).

Het eerste gevolg van zijn ontmoeting met de opgestane heer was een totale ommekeer in zijn handel en wandel:

‘wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus’ als verlies gaan beschouwen’ (Filippenzen 3:7).

Hij had gerechtigheid in de Wet gezocht, maar dat leidde alleen maar tot zonde. Hij moest zijn levenshuis opnieuw opbouwen, op eentotaal ander fundament. De winst die hij nu zocht was Christus, en de gerechtigheid was die van God en niet die van de Wet (vers 9). Hij koesterde een nieuwe ambitie: Christus te kennen en de kracht van diens opstanding, de kracht waarvan dat felle licht het symbool was.
Hij wilde

“delen in zijn lijden en aan Hem gelijk worden in zijn dood, in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan.” (verzen 10-11)

Het tweede gevolg van die ontmoeting zien wij in zijn relatie met anderen. God had hem uitgekozen

“om de Rechtvaardige te zien en Hem tehoren spreken”,

om voor alle mensen een getuige te zijn van wat hij gezien en gehoord had (Handelingen 22:14-15). Daarom noemde hij zich ook een apostel:

“Ben ik niet vrij? Ben ik geen apostel? Heb ik niet Jezus, onze Here, gezien?” (1 Korintiërs 9:1, NBG’51).

Niet op grond van een theorie, maar van een feit; niet uit eigen initiatief, maar als gezant met direct gezag; niet met ‘de bediening des doods’ (de Wet), maar als iemand die daaruit was bevrijd. Dit feit vormt ook de basis van zijn leer over ‘de weg ten leven’. Met Christus begraven zijn in de doop, betekent: besneden zijn in ‘de besnijdenis van Chistus’, door het afleggen van ‘het vleselijke lichaam’ (Kolossenzen 2:11).Toch is die begrafenis slechts een begin; uit dat ‘graf’ worden mensen ook weer “mede opgewekt door het geloof aan de kracht van God, die ook hem uit de doden heeft opgewekt” (vers 12). De opgestane Christus is het bewijs dat God onder de mensen werkt. Hij vergeeft zonden op basis van geloof, en Hij verhoogt mensen die de Wet overtraden en leefden in ‘onbesnedenheid naar het vlees’ (vers 13). Vergiffenis en vernieuwing maken deel uit van dat zelfde werk van God, dat met de lichamelijke opwekking van Christus is begonnen en dat door een zelfde opwekking van de gelovigen zal worden voltooid.

“Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God … U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God” (Kolossenzen 3:1-3).

Vroeger dood door de sterfelijkheid van de zondige natuur, maar nu tot leven gewekt in de opgestane Christus. En toch: vroeger levend als natuurlijke mensen, maar daarna gestorven in de doop. Deze schijnbare tegenspraak is opzettelijk – keer op keer gebruikt Paulus deze beeldtaal van leven en dood, van begrafenis en opstanding, van groei en zelfverloochening. Zo diep is hij kennelijk doordrongen van het feit dat hij, van wie hij vast overtuigd was dat hij een lijk was, hem ineen verheerlijkt lichaam is verschenen. Alleen in hem vinden wij de weg tot leven, alleen in hem het antwoord op de dood.

In zijn brieven houdt Paulus zijn lezers voor dat zij geen eigen leven hebben, maar dat hun leven bij Christus in bewaring is, en dat het hun gegeven zal worden bij zijn wederkomst:

“Wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen” (Kolossenzen 3:4).

Dit vernederd lichaam zal veranderd worden op dezelfde wijze als dat van Christus, wiens heerlijkheid feller schitterde dan de middagzon. Verderop in dit hoofdstuk laat Paulus zien wat dit ‘laten sterven van het vlees’, en het ‘streven naar wat boven is’, betekent in de praktische verhoudingen tussen man en vrouw, ouders en kinderen, meesters en slaven.

Dat de gelovige met Christus is opgestaan, heeft duidelijke consequenties voor hoe hij met zijn lichaam omgaat: Het lichaam is er “voor de Heer” en niet om misbruikt te worden en “de Heer is er voor het lichaam”. De Heer is er voor het lichaam, want God zal het werk dat Hij in ons is begonnen, door Christus voltooien. “God heeft de heer opgewekt, en door zijn macht zal hij ons ook opwekken” (1 Korintiërs 6:13-14). De opwekking van Christus is het bewijs dat de lichamen van gelovigen eveneens opgewekt zullen worden; en lichamen die eens met onsterfelijkheid bekleed zullen worden, bezitten nu al een nieuwe waarde en betekenis, al zijn zij nog sterfelijk. Omgekeerd is “het lichaam er voor de Heer”, want die bestemming waarvoor zij ontworpen zijn, moet nu al effect hebben op hun levenswijze. Zij hebben het ‘Woord’ ontvangen om het in hun harten te koesteren. Dat ‘altijd blijvende woord’ (1 Petrus 1:23) is de kiem van het nieuwe leven:

“weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God?”

En de Christus die God heeft opgewekt, is voor hun zonden gestorven; daarom voegt hij er aan toe:

“weet u niet dat u niet van u zelf bent? U bent gekocht en betaald, dus bewijs God eer met uw lichaam” (1 Korintiërs 6:19-20).

Een lichaam dat voor toekomstige heerlijkheid is bestemd, mag nu niet door vleselijke praktijken bezoedeld raken.

Al die zinspelingen op de opgestane Christus in de brieven van Paulus, geven ons een beeld van zijn innerlijke denken. Centraal in zijn gedachten staat dat ene feit uit zijn eigen ervaring, dat feit dat hem fysiek verblind maar geestelijk verlicht had, dat hem van een trotse Farizeeër in een nederige apostel had veranderd: de levende Christus die hij op weg naar Damascus had mogen zien en horen. Dit is het uitgangspunt van al zijn redeneringen, niet alleen over zulke fundamentele principes als leven en dood, verzoening, wet en genade, maar ook over onze dagelijkse wandel voor God, onze ‘vrucht van de Geest’ in onze menselijke relaties. De geest van de apostel was als een zonnestelsel, en het genoemde feit is de zon daarvan. Kijk bijvoorbeeld naar zijn woorden aan de Galaten:

“Ik ben door de Wet voor de Wet gestorven om voor God te leven” (Galaten 2:19).

Tot aan die ontmoeting met de opgestane Christus had de Wet hem als een ‘paedagoog’ begeleid (3:24). Maar op dat moment stierf hij voor de Wet, maar stond op tot een nieuw leven in gemeenschap met God.

“Met Christus ben ik gekruisigd”

betoogt hij, en ergens anders:

“Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen” (Kolossenzen 2:14).

Zijn nieuwe houding tegenover de Wet was echter niet het enige gevolg van deze vereenzelviging met Jezus Christus. Jezus had gezegd:

“Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen” (Mattheüs 16:24).

Paulus doelt hier op, wanneer hij zegt:

“Met Christus ben ik gekruisigd: ik zelf leef (dus) niet meer, maar Christus leeft in mij.” (Galaten 2:20).

‘Ik’, en toch ‘niet ik’, want dat oude ‘Ik’ is dood. Is dat niet in de meest letterlijke zin een zelf-verloochening: Ik ben ‘ik’ niet meer, maar Christus leeft in mij. Hoe dat kan?:

“Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven.”

Deze verloochening wortelde in de kruisiging, maar zonder de opstanding zou die toch zinloos zijn; hoe zou Christus in hem leven als hij niet weer levend was geworden?
Leven uit geloof in een dode zou onmogelijk zijn, laat staan geloven dat hij de Zoon van God was. Paulus wist dat in de opgestane Christus de Wet geen effect meer had; het echte leven was begonnen!

L.G.S./C.T.

Uit de oorspronkelijke Engelse versie vertaald, bewerkt en heruitgegeven, met toestemming van The Christadelphian Magazine & Publishing Association, Birmingham, UK, aan wie alle rechten voorbehouden zijn.

Over Christadelphians

Free Christadelphians or Brothers and sisters in Christ, living in Belgium, European Union. - Vrijë Christadelphians of Broeders en zusters in Christus wonende in België in de Europese Unie.
Dit bericht werd geplaatst in Bedenking, Christen zijn, Christenheid, Geschiedenis, Godsdienst, Jehovah, JHWH, Jawheh, Elohim God, Yahuwah, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Levensvragen, Ontmoeting - Portret - Bijbelse figuren en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Laat een Reactie achter - Leave a Reply

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.