Gods vergeten Woord 20 Volk van het Boek 2 Voorbeelden in het Nieuwe Testament

Voorbeelden in het Nieuwe Testament

 

Op zijn tweede zendingsreis ondervond Paulus veel tegenstand van Joodse zijde. De Joden zaten teveel vast in hun traditionele denkpatronen. Zij beschouwden zichzelf als bij uitstek de behoeders van de schriftuurlijke waarheid en verketterden de prediker die hun kwam vertellen van een nieuwe fase in Gods plan; een fase die bovendien reeds in hun Schrift (ons OT) zou zijn aangekondigd, zonder dat zij daarvan hadden geweten. Dat was duidelijk teveel voor hun trots. Maar toen Paulus te Berea kwam trof hij een gunstige uitzondering:

“Dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica [de stad waar Paulus tevoren was geweest en van waar hij had moeten vluchten], daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren” (Hand. 17:11).

Zij bezaten geen eigen afschrift van de Schriften. Maar iedere synagoge bezat een verzameling schriftrollen, en zij konden daar gaan om die te bestuderen. Zij waren bereid hun geloof te grondvesten op die Schriften en niet op traditie. En dat is een opmerkelijke houding voor een groep die een traditie van meer dan 1500 jaar vertegenwoordigde. Maar het is wel de juiste houding tov. Gods Woord.

 

Ook Paulus zelf was een man van de Schriften. In zijn tweede brief aan Timoteus, die we aan het begin van dit hoofdstuk al geciteerd hebben, schrijft hij:

“Als gij komt, breng dan de mantel mede, die ik te Troas bij Karpus liet liggen, en ook de boeken, vooral de perkamenten” (2 Tim. 4:13).

Boekrol, boek Esther, 18e eeuw

De boeken zijn kennelijk zijn studieboeken, maar de ‘perkamenten’ zijn met zekerheid Schriftrollen. Het opmerkelijke is dat Paulus hier vlak voor zijn dood staat. Hij bevindt zich in zijn laatste gevangenschap te Rome en even tevoren heeft hij al geschreven:

“Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur” (vs. 6).

Maar wel verre van een houding aan te nemen dat het nu allemaal niet meer van belang is, gaat hij tot het laatst toe door met zijn Schriftstudie. En hij dringt bij zijn leerling aan op spoed. Zijn Schriftstudie eindigt letterlijk pas met de dood.

+

Voorgaande artikelen

Gods vergeten Woord 18 Geopenbaarde woord 3 De ene boodschap

Gods vergeten Woord 20 Volk van het Boek 1 Boek van openbaringen

Gods vergeten Woord 20 Volk van het Boek 2 Voorbeelden uit het Oude Testament

Vervolg: Het verloren wetboek

+++

Gerelateerd

  1. Main Themes of 1 Thessalonians
  2. 1 Thessalonians 1
  3. Bonus Post: Conditions in Thessalonica
  4. Was The Apostle Paul a Male Chauvinist?
Advertenties
Geplaatst in Bijbel of Heilige Schrift, Woord van God | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Gods vergeten Woord 20 Volk van het Boek 2 Voorbeelden uit het Oude Testament

Voorbeelden uit het Oude Testament

Vlak voordat het volk van het Oude Verbond het beloofde land binnentrok vermaande Mozes het in zijn uitgebreide toespraak, die wij in het boek Deuteronomium (het boek van de ‘tweede wet’) vinden, met deze woorden van God zelf:

“Maar gij zult deze mijn woorden in uw hart en in uw ziel leggen; gij zult ze tot een teken op uw hand binden en zij zullen een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn. Gij zult ze uw kinderen leren en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit en wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat” (Deut. 11:18-19).

Het is dus duidelijk waar Paulus zijn overtuiging vandaan haalde. In overeenstemming met Mozes’ woorden gebood de wet dat de koning een afschrift van de wet zou bezitten voor persoonlijke studie:

“Wanneer hij nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust. Dat zal hij bij zich hebben en daarin zal hij lezen gedurende heel zijn leven om te leren de Here, zijn God, te vrezen [= eerbied voor Hem te hebben] door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden” (Deut. 17:18-19).

In sommige vertalingen, zoals de SV, staat zelfs dat hij dat afschrift eigenhandig moest maken.

Een koning die zo met de Schrift omging was David. En we krijgen de indruk dat dat al zijn gewoonte was toen hij nog een herdersjongen was, lang voordat hij koning werd. We zien hem, wakend over zijn schapen, onder de nachthemel, als hij dicht:

“Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereidt hebt: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet” (Ps. 8:4-5)

Uit de volgende verzen blijkt dat hij mediteert over Genesis 1:26-28. Hij moet die passage dus uit het hoofd gekend hebben, want als herdersjongen zou hij geen afschrift van de Wet hebben bezeten. Later als hij koning is, dicht hij (als ik tenminste mag aannemen dat Ps. 119 inderdaad van hem is):

“Ontdek mijn ogen [dwz. neem hun bedekking weg], opdat ik aanschouwe de wonderen uit uw wet” (Ps. 119:18).

Deze woorden zijn des te opvallender wanneer wij bedenken dat de delen van het OT die ons het meeste aanspreken toen nog geschreven moesten worden. David kan niet veel meer hebben gekend dan de eerste vijf boeken, de zgn. boeken van Mozes. In overeenstemming met het gebod in Deuteronomium 17, zegt hij iets verderop:

“Hoe lief heb ik uw wet! Zij is mij een overdenking de ganse dag” (vs. 97)

Hij leefde met Gods woord. En het is juist van deze man dat wij lezen dat God, in de woorden van Paulus,

“dit getuigenis gaf: Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar mijn hart” (Hand.13:22).

De Joden weggevoerd in ballingschap

Een ander voorbeeld van een man die al op jeugdige leeftijd leefde met Gods wet was Daniël. Als hij als jeugdige prins door de Babylonische koning Nebukadnezar wordt meegenomen naar Babylon, om hem daar te dienen, geeft hij al onmiddellijk blijk bereid te zijn de bevelen van de grote koning te negeren en te verlangen dat hij geen niet-kosher voedsel hoeft te eten (Dan. 1:8). Dat is geen geringe besluitvaardigheid van een jongen die op dat moment wellicht niet ouder was dan een jaar of vijftien. Ook uit de latere hoofdstukken van het boek dat zijn naam draagt blijkt dat hij volledig bekend was met de Schriften, waaronder de profetieën van de profeet Jeremia, die de Babylonische ballingschap had aangekondigd (Dan. 9:2). Hij bezat dus kennelijk reeds een afschrift van deze profetie die pas te boek gesteld was in het jaar van zijn eigen wegvoering. Ook van deze man is getuigd dat hij een bijzondere plaats innam in Gods ogen (Ezech. 14:14).

+

Voorgaande artikelen

Gods vergeten Woord 16 Geopenbaarde Woord 1 Zoeken naar een god

Gods vergeten Woord 18 Geopenbaarde woord 3 De ene boodschap

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 5 Leerschool en Gemeenschappelijk bezit

Gods vergeten Woord 20 Volk van het Boek 1 Boek van openbaringen

Vervolg: Voorbeelden in het Nieuwe Testament

+++

Gerelateerd

  1. Was David een schurk?
  2. Daniel and the wisdom prophet, Part 3: Reading Daniel today
  3. Questions for Reflection and Discussion (Daniel 3)
Geplaatst in Bijbel of Heilige Schrift, Woord van God | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Gods vergeten Woord 20 Volk van het Boek 1 Boek van openbaringen

Het Volk van het Boek

 

Gelovigen in de Schrift zijn onveranderlijk intensief bezig met Gods Woord. En dat Woord vinden we in de Bijbel. Alleen door dat Woord kunnen wij begrip krijgen van Gods plan en van wat Hij van ons verlangt. Voor de ware gelovige is er geen alternatief voor het regelmatig lezen van de Bijbel.

 

IN hoofdstuk 3 (‘Het geopenbaarde Woord’) hebben we gezien dat God zijn plan heeft geopenbaard in zijn Boek, de Bijbel. Hij heeft daarin alles neergelegd dat wij moeten weten om ons leven zo te leven als Hij dat van ons verwacht en om het einddoel te bereiken. Daaruit volgt dat het voor de gelovige van het uiterste belang is om aandacht aan dat Boek te besteden. U heeft, hoop ik, intussen gezien dat dat Boek veel interessants bevat dat u wellicht nog niet wist (of misschien ook wel), maar dat we in elk geval niet zouden weten als we dat Woord niet bezaten. Uit onszelf hadden we dat allemaal niet bedacht. Paulus schrijft aan zijn leerling Timoteüs:

“Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wèl bewust van wie gij het hebt geleerd, en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus. Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te verbeteren en op te voeden tot gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust” (2 Tim. 3:14-17)

Boeken van het Oude Testament

Daar valt eigenlijk niets aan toe te voegen, behalve misschien dat “de heilige schriften” in de dagen van Paulus en Timoteüs nog slechts bestonden uit wat wij het Oude Testament noemen. Wijzelf, die ook het Nieuwe Testament ontvangen hebben, bezitten daarmee des te grotere rijkdom. Wat ik verder nog wil doen is illustreren hoe dat bij anderen in de bijbelse geschiedenis, maar ook in de menselijke geschiedenis, heeft gewerkt.

+

Voorgaande artikelen

Gods vergeten Woord 16 Geopenbaarde Woord 1 Zoeken naar een god

Gods vergeten Woord 18 Geopenbaarde woord 3 De ene boodschap

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 5 Leerschool en Gemeenschappelijk bezit

Fragiliteit en actie #14 Plagen van God

++

Aanvullende lectuur

  1. Plan van de Goddelijke Maker
  2. Boek der boeken de Bijbel
  3. Boek in onze handen
  4. Bijbel verzameld Woord van God
  5. Bijbel baken en zuiverend water
  6. Wat is de bedoeling van dit leven

+++

Gerelateerd

  1. Bijbel dat is de gansche Heilige Schrift
  2. Africa Bible Commentary
  3. “The foolish power of God in the gospel”. Blog nav ‘God in public’ van Tom Wright. Een grote stad bezoeken is ook een boekhandel bezoeken. Zo ook in Edinbutgh afgelopen zomer.
  4. Welke Bijbel Versie?
  5. Wat de geschiedenis ons leert…
  6. Als tot eenvoudigen gesproken…
  7. Overzicht Woordvrouw – 31daysofbiblicalwomen overview
  8. Reading the Bible for yourself: modern message in an ancient meaning
Geplaatst in Bijbel of Heilige Schrift, Woord van God | Tags: , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 5 Leerschool en Gemeenschappelijk bezit

In het voorgaande bericht zagen wij hoe bepaalde dilemma’s zich voordeden en hoe de apostel Paulus er op wees dat het belangrijker was om voor elkaar te zorgen en men elkaar moest helpen en steun geven in elkaars noden.
Die zorg voor elkaar moet voorop staan.

Opnieuw: de leerschool

Dit principe sluit uiteraard aan bij het feit dat het leven nu een leerschool is voor een dienstbaarheid straks. Wie zich nu onttrekt aan de zorg voor zijn medebroeders en -zusters is straks niet in staat om als een goede dienaar van Christus leiding te geven aan mensen die nog tot geloof moeten komen, of om hen vervolgens te leiden op de goede weg, zoals een herder zijn schapen leidt. Hij zou uiteindelijk in de positie belanden van de derde slaaf in de gelijkenissen in Matt. 25 en Luc. 19, die bij de wederkomst van zijn heer kon zeggen: “hier hebt gij het uwe”, maar die niet voor zijn heer aan het werk was geweest. Paulus legt daar vooral in de brief aan de gemeente te Korinte zoveel nadruk op omdat juist daar een situatie dreigde te ontstaan waar sommigen meenden de anderen niet nodig te hebben.

 

ADDENDUM: gemeenschappelijk bezit

De eerste gemeente te Jeruzalem leefde in volledige gemeenschap van goederen. In de loop der eeuwen hebben mensen die terug wilden naar de situatie van de eerste eeuw, geprobeerd dit weer in te voeren. We zullen uiteraard de vraag moeten beantwoorden of dat van de christen gevraagd wordt. We zien dan dat deze praktijk slechts voortduurde totdat de gemeente door een beginnende vervolging uit Jeruzalem verdreven werd. Als de leden uitzwermen over de antieke wereld lezen we niets meer over zulke praktijken. Kennelijk was deze praktijk van gemeenschappelijk bezit goed bedoeld en op zichzelf ook niet verkeerd, want ze wordt ons in de eerste hoofdstukken van Handelingen geschilderd als een van de positieve eigenschappen van de gemeente. Maar het was kennelijk geen eis. Er zijn teveel gelijkenissen die ons vertellen over slaven of andere mensen die worden afgerekend op wat zij hebben gedaan met hun bezit of met wat hun toevertrouwd is, dan dat het mogelijk zou zijn om vol te houden dat wij geen eigen bezit zouden mogen hebben. Maar deze constatering bevat ook een sleutel: wij zullen worden afgerekend op wat wij met ons bezit hebben gedaan. Wij bezitten het niet echt. Zoals bij de slaven in de gelijkenis is ons het beheer erover toevertrouwd. Bezit is kennelijk bedoeld om ons op te voeden; wij moeten leren hoe wij er mee om moeten gaan. Zo geven wij, als wij verstandig zijn, onze kinderen zakgeld, om ze te leren met geld om te gaan.

 

De belangrijkste drijfveer in het gemeenschappelijk bezit vinden we in het begin van Handelingen:

“En ook niet één zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was” (Hand. 4:32).

Op zich zou dat moeten gelden voor iedere christen: al wat hij bezit is van God en hij is slechts de beheerder daarvan. Maar het is dat beheer dat hem opvoedt. Ook dan kan hij zijn geld gebruiken om zijn medebroeders en -zusters te helpen, wanneer en waar zij dat nodig hebben. In de evangeliën lezen we over welgestelde vrouwen die Jezus en de zijnen “dienden met hetgeen zij bezaten” (Luc. 8:3). En in Handelingen ontmoeten we de ‘purperverkoopster’ Lydia (in die tijd was dat een beroep dat te vergelijken is met dat van een juwelier in onze tijd), die Paulus in zijn dienstwerk ondersteunde met haar mogelijkheden (Hand. 16:14-15). Als de herstelde gemeente te Jeruzalem door hongersnood in financiële moeilijkheden komt, springen de gemeenten buiten het land bij. En de gemeenten in Macedonië steunen, ondanks hun armoede, Paulus’ predikingswerk in Achaje. Zo wil God kennelijk dat wij met bezit omgaan.

 

Dit alles was slechts de toepassing van de principes die al in de Wet van Mozes waren gegeven:

“Indien gij aan mijn volk, aan de arme bij u, geld leent, zult gij u niet als een schuldeiser jegens hem gedragen” (Ex. 22:25).

Wie zo met zijn bezit omging, mocht een zegen van God verwachten:

“Gij zult hem [de arme] met mildheid geven en uw hart zal niet verdrietig zijn, wanneer gij hem geeft, want terwille daarvan zal de Here, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat gij onderneemt” (Deut. 15:10).

Wij moeten geven in vertrouwen dat God ons genoeg zal laten om zelf van te leven. Het is een test van het geloof. Zo stelt Paulus in zijn brief aan de Korintiërs zelfs dat de nood in Jeruzalem, waarvoor zij geld inzamelen, ten doel heeft hun bereidwilligheid te testen. Als die onvoldoende zou zijn, zou God wel op andere wijze in die nood voorzien, maar het zou de Korintiërs door Hem worden aangerekend.

 

Jakobus de rechtvaardige

Jakobus de rechtvaardige

De ervaren Bijbellezer zal weten dat vooral in de brief van Jakobus fel stelling genomen wordt tegen rijken. Toch mag men dat niet opvatten als een beschuldiging van rijkdom zonder meer. De overheersende gedachte was dat wie rijk was, door God gezegend was en dat hij dus wel een zeer godvruchtig man moest zijn. Ook in onze tijd is deze gedachte in bepaalde kringen populair (‘ik ben gezegend, dus kennelijk klopt mijn gedrag’). Jakobus wil zijn lezers duidelijk maken dat zij niet de arme broeder bij de rijke achter moeten stellen; beide zijn broeders. Om zijn betoog kracht bij te zetten valt hij deze gedachtenkoppeling tussen rijkdom en rechtvaardigheid aan. Het zijn juist de rijken (uiteraard niet die in de gemeente, maar die in de wereld) die hen vervolgen. Rijkdom, zegt hij wat verderop, kan ook zijn verworven door onrecht en uitbuiting. Het is echter niet de rijkdom, of het ontbreken daarvan, dat van belang is; het gaat erom hoe wij omgaan met bezit.

+

Voorgaande

De Voltooiing van de schepping 1 Beproeving – Op weg naar volmaaktheid

De Voltooiing van de schepping 2 Goden van licht en duisternis

De Falende mens #2 Vrije keuze

Materialisme, “would be” leven en aspiraties #5

Schapen en bokken 1 Aangenomen, verworpenen en slaven

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 6 Voorschriften van het apostelconcilie

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 1 Inleiding

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 2 Gezamenlijkheid

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 3 Gezamenlijke dienst

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 4 Omgaan met conflicten

+++

Gerelateerde teksten

  1. Kopskuif – wie is in jou huis?
Geplaatst in Broeders, Christen zijn, Christendom, Kerkopbouw, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 4 Omgaan met conflicten

Omgaan met conflicten

Gebraad van kalfsvlees

Een duidelijke toepassing van dit principe dat de gemeente een lichaam is, komt te voorschijn in Paulus’ raadgevingen hoe om te gaan met conflicten in de gemeente. Het gaat daarbij om het eten van vlees, een kennelijk regelmatig terugkerend onderwerp van onenigheid. De achtergrond daarvan had geen vegetarische aspecten. Het ging erom dat veel vlees dat in de vleeshallen te koop was, afkomstig was van offers aan afgoden in heidense tempels. Dat leidde tot twee groepen in de gemeente. De ene groep redeneerde dat het vlees weliswaar aan een afgod geofferd was, maar dat die afgod in feite helemaal niet bestond en dat er met dat vlees, als vlees, dus onmogelijk iets mis kon zijn. Het kon dus zonder bezwaar gegeten worden. Zij beschuldigden de andere groep van gebrek aan inzicht (‘kennis’). Die andere groep redeneerde dat een christen tav. afgoden niet zorgvuldig genoeg kon zijn en dat er van het eten van offervlees dus geen sprake kon zijn. Zij zagen de eerste groep als te laks in de consequenties van hun geloof. Dit leidde vooral in de gemeente te Korinte tot felle discussies. Zij legden de zaak vervolgens voor aan Paulus. In zijn antwoord laat Paulus doorschemeren dat de eerste groep strikt genomen gelijk heeft: hij noemt hen de ‘sterken in geloof’ en de andere groep de ‘zwakken in geloof’. Maar vóór alles wijst hij erop dat het er helemaal niet om gaat wie er gelijk heeft. Waar het om gaat is dat de ‘sterken’ de verantwoordelijkheid hebben om de ‘zwakken’ te helpen op hun weg naar het Koninkrijk. Wie zijn eigen gelijk doorzet en daarmee een broeder tot afval van het geloof brengt, is in feite schuldig aan zware verwaarlozing van de noden van zijn broeder:

“Dan gaat er immers iemand, die zwak is, ten gevolge van uw kennis verloren, een broeder, om wiens wil Christus gestorven is. Door zó tegen de broeders te zondigen, en hun geweten te kwetsen, zondigt gij tegen Christus” (1 Kor. 8:11-12).

En als conclusie voegt hij er aan toe (vs. 13):

“Daarom, indien wat ik eet, mijn broeder aanstoot geeft [het Grieks betekent eigenlijk: tot afval van het geloof brengt], wil ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder geen aanstoot te geven.”

Bereide varkensknie in een restaurant in Pamplona

Voorop staat niet het al of niet gelijk hebben; voorop staat de zorg voor onze broeders en zusters, voor wie Christus gestorven is. Wat is immers het belang van het eten van vlees, vergeleken met de offerdood van Christus. Maar dat principe is bij de vele geloofsstrijdpunten in de loop der eeuwen niet altijd meer volledig in het oog gehouden.

+

Voorgaande

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 6 Voorschriften van het apostelconcilie

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 1 Inleiding

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 2 Gezamenlijkheid

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 3 Gezamenlijke dienst

Volgende: Opnieuw: de leerschool

++

Aanvullende lectuur

  1. Joodse Wetten en Wetten voor Christenen
  2. Neem afstand van heidense vastenperiodes
  3. Saturnus, Janus, Zeus, Sol, donkerte, licht, eindejaarsfeesten en geschenken

+++

Gerelateerde berichten

  1. Vegan for the animals: 10 quotes die je aan het denken zetten
  2. Vegan Challenge
  3. Signal 7 – Alternative Bacon
  4. Oppassen met eten, how to be careful with food
Geplaatst in Broeders, Christen zijn, Geschiedenis, Kerkopbouw, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 3 Gezamenlijke dienst

De gezamenlijke dienst

Dit alles krijgt meer reliëf als we ons realiseren dat de eerste gemeenten bestonden uit kleine eenheden, huisgemeenten. Als zij zo bijeen kwamen was er geen verschil tussen de leden. Zij hadden geen speciale voorgangers. Ze hadden ‘oudsten’ die de dagelijkse leiding hadden, maar bij de diensten was in principe ieder gelijk. Hooguit werd er onderscheid gemaakt op grond van bekwaamheden of ervaring. Wij weten niet hoe die diensten er precies uitzagen, of hoe zij er aan toe gingen. En blijkbaar hoeven wij dat dus niet te weten. Maar het is duidelijk dat allen er aan deel namen:

“Hoe staat het dan, broeders? Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging; dat alles moet tot stichting [opbouw] geschieden” (1 Kor. 14:26).

Dit was in overeenstemming met de gedachte van de gemeente als lichaam van Christus en het principe dat allen gelijkelijk verantwoordelijk waren voor de opbouw daarvan.

 

Een communie-zondagsschool in een United Methodist Church in de Verenigde Staten.

Met de constantinische omwenteling veranderde dat allemaal. De oudsten (Gr.: presbuteroi) werden tot ‘priesters’ die de dienst regelden, en het volk stond erbij en keek ernaar. In de sacrale kerk was geen plaats meer voor huisgemeenten, en evenmin voor deelname van de gelovigen aan de eredienst. De priester stond boven hen, tegenover hen. Hij vertegenwoordigde de ‘kerk’ en droeg het offer op, zoals dat eeuwenlang in de heidense wereld was gegaan. Dat veranderde fundamenteel het karakter van de dienst. En de Hervormers hebben dat grotendeels zo gelaten. Diensten vonden intussen plaats in grote gebouwen, met vele aanwezigen. Om die zelf deel te laten nemen in de dienst was op praktische gronden moeilijk en de behoefte bestond na meer dan duizend jaar toch al niet meer. Zo komt het dat de kerkdiensten zich begonnen te kenmerken door een grote mate van ‘consumentisme’: velen lieten zich bedienen, zij ‘consumeerden’, en de voorganger – hoe ook aangeduid – deed zijn plicht en ‘leverde’. Men ging vaak naar de kerk zoals men ging naar het theater: men kwam voor de voorstelling, die men goed of slecht vond, maar waaraan men geen deel had. Dit heeft meer recent vaak geleid tot één van twee reacties: óf het kerkvolk begon weg te blijven, omdat het geen bevrediging meer vond in de dienst, óf men ging de dienst ‘aanpassen aan de moderne tijd’, met popmuziek en wat al niet, wat weer leidde tot het wegblijven van anderen. Maar het eigenlijke probleem (het niet deelnemen van de gemeente aan de dienst) werd er niet mee opgelost.

+

Voorgaande

Gods vergeten Woord 5 Verloren Wetboek 4 De ‘katholieke’ kerk

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 1 Inleiding

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 2 Gezamenlijkheid

Vervolg: Omgaan met conflicten

++

Aanvullende lectuur

  1. Openbare Samenkomsten
  2. Niet even bidden en weer terug de drukte in
  3. Jaar van de priester
  4. De Evangelische voorganger in beeld
  5. Activiteiten in dit leven nagaan
  6. Wanneer men geloof gevonden heeft door de studie van de Bijbel moet men werken van geloof verwezenlijken
  7. Gebrek aan geloofsbeleving
  8. Esoterisch geloven
  9. Jongmense wil nie meer sit en luister nie

+++

Gerelateerde teksten

  1. Fall arrived Natuurlijk gaan we elke zondag naar de kerk en mijn routine daarbij is geworden dat ik met Brad mee ga naar de cafetaria.
Geplaatst in Christendom, Geschiedenis, Kerkopbouw, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 2 Gezamenlijkheid

Gezamenlijkheid

In de inleiding zeiden wij dat wij onze ogen zouden richten op de gemeenschap die zich verbonden met Christus voelt en zo ook onderdeel wil zijn van zijn ‘lichaam’ met Jezus als hoofd en de gemeente als leden van dat lichaam.

Kluizenaar of heremiet, de Zwitserse pater Gabriël Bunge

Dit beeld van de gemeente als lichaam leert ons dat we niet individueel behouden kunnen worden. Het sluit de idee uit van de kluizenaar die ergens in afzondering zijn geloof ongeschonden tracht te bewaren. Zo iemand is als de slaaf in de gelijkenis die zijn talent in de grond begroef om het zijn heer bij zijn terugkomst ongeschonden terug te kunnen geven (zie hoofdstuk 11, ‘Schapen en bokken’). Wij moeten kennelijk de ons gegeven talenten benutten en onze bekwaamheden ontwikkelen als leden van de gemeente, met en voor elkaar. Dat leidt ons op tot bekwame mederegeerders met Christus in zijn Koninkrijk.

 

We hebben gezien dat de ‘gaven van de Geest’, voor zover niet bedoeld als ondersteuning van de prediking, bedoeld waren tot opbouw van de gemeente. Het is juist in die context dat Paulus dit beeld van het lichaam gebruikt. Aan de gemeente te Rome schrijft hij:

“Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander. Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is: profetie, naar gelang van ons geloof; wie dient, in het dienen; wie onderwijst, in het onderwijzen; wie vermaant, in het vermanen; wie mededeelt, in eenvoud; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid” (Rom. 12:4-8).

Zij (en wij) hebben die bekwaamheden gekregen om elkaar op te bouwen, om het lichaam tot een organisch geheel te maken. We moeten die bekwaamheden toepassen en verder ontwikkelen om betere dienaars van Christus te zijn. In de gemeente te Korinte hadden de gemeenteleden de neiging om zich op hun ‘gaven’ te laten voorstaan, om ermee te geuren, in plaats van ze te gebruiken voor het doel waarvoor ze waren gegeven. Om dat recht te zetten moet Paulus hen eraan herinneren dat zij leden van één lichaam zijn:

“Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden. Indien de voet zeggen zou: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam? En indien het oor zeggen zou: omdat ik niet het oog ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort het daarom niet tot het lichaam? … En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig. Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk” (1 Kor. 12:14-16, 21).

Dat betekent dat, als wij niet in afzondering geroepen zijn, wij van God de opdracht hebben in de gemeente op te groeien en daar met onze talenten te ‘handelen’ teneinde ze te vermeerderen. Dat betekent ook dat onze broeders en zusters ons door God gegeven zijn. Wij mogen niet op ze neerzien, laat staan ze overbodig achten, ook al hebben wij misschien het gevoel dat ze ons alleen maar storen; ze zijn daar niet toevallig.

+

Voorgaande

Schapen en bokken 1 Aangenomen, verworpenen en slaven

De Ekklesia #8 Doop als wedergeboorte

Gods vergeten Woord 17 Geleid door de Geest 2 De gift en de gaven

Gods vergeten Woord 17 Geleid door de Geest 3 Einde van de gaven

Gods vergeten Woord 17 Geleid door de Geest 4 Leiding door de Geest

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 1 Inleiding

Vervolg

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 3 De gezamenlijke dienst

++

Aansluitend

  1. Het is makkelijk onze verantwoordelijkheden te ontwijken
  2. Bij de aanvang van een nieuwe dag
  3. Als je denkt dat je te klein bent om effectief te zijn
  4. Dankbetuiging voor de verkregen gaven
  5. Joodse Wetten en Wetten voor Christenen
  6. Goed Nieuws brengen met en door voorbeeld

+++

Gerelateerd

  1. The Parable of the Talents
  2. The Parable of the Talents is not a lesson in Stewardship
Geplaatst in Broeders, Christen zijn, Kerkopbouw | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Gods vergeten Woord 19 Het Lichaam van Christus 1 Inleiding

  1. Het Lichaam van Christus

In de christelijke theologie heeft de term Lichaam van Christus twee belangrijke maar afzonderlijke betekenissen:

  1. De instelling van de eucharistie door Nicolas Poussin, 1640

    Het kan verwijzen naar de woorden van Jezus over het brood bij het Laatste Avondmaal, in dat geval wordt het ook wel het ‘Allerheiligste in de Rooms Katholieke Kerk als een andere benaming voor een geconsacreerde hostie, naar de woorden van Jezus: “Neemt en eet, dit is mijn lichaam” (Lukas 22: 19-20).

  2. Of tot het gebruik van de term door de apostel Paulus in 1 Korinthiërs 12: 12-14 en Efeziërs 4: 1-16 om naar de christelijke kerk te verwijzen.
  3. Het kan ook verwijzen naar het lichaam van Christus na de opstanding in de hemel.Er zijn belangrijke verschillen in de manier waarop christenen de term begrijpen die Christus gebruikte tijdens het Laatste Avondmaal en zoals ontwikkeld in de christelijke theologie van de eucharistie. Voor sommigen is het symbolisch, voor anderen wordt het een meer letterlijk of mystiek begrip.

    Zoals Paulus in de Pauline-epistels gebruikte, verwijst het naar de christelijke kerk als een groep gelovigen. In de rooms-katholieke theologie onderscheidt het gebruik van de uitdrukking “mystiek lichaam” het mystieke lichaam van Christus, de Kerk, van het fysieke lichaam van Christus, en van een “moreel lichaam” zoals elke club met een gemeenschappelijk doel.

Voor de Rooms-Katholieke Kerk werd dit gebruik van de term Lichaam van Christus tot uitdrukking gebracht in de encycliek Mystici Corporis (“Over het Mystiek Lichaam van Christus”) van Paus Pius XII.

In deze reeks gaan wij in op de Gemeente als Lichaam van Christus.

 

De gemeente wordt op diverse plaatsen beschreven als het lichaam van Christus. Het beeld leert ons dat de leden van de gemeente samen op weg zijn en niet individueel. Zij hebben ook een verantwoordelijkheid voor elkaar.

 

Een beeld dat de apostel Paulus regelmatig gebruikt voor de gemeente is: het lichaam van Christus. We kwamen dit al tegen in hoofdstuk16 (‘Brood en wijn’) in het citaat:

“Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam” (1 Kor. 10 16-17).

We kwamen het beeld ook tegen in hoofdstuk 17 (‘Geleid door de Geest’) in het citaat:

“Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus” (Efez. 4:11-12).

Iets verderop zegt hij:

“Dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde” (vs. 15-16).

De gemeente is als een lichaam waar Christus het hoofd van is en waarvan de gemeenteleden de leden zijn. Het doet ons opgroeien. In de marge zij opgemerkt dat er in het NT ook een passage is waar het volk Israël (het volk van het Oude Verbond) wordt aangeduid als ‘het lichaam van Mozes’ (Judas 9; de passage slaat terug op Zach. 3:1 vv).

+

Voorgaande

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 7 Omgaan met risico’s

++

Aanvullende lectuur

  1. Wereld van een Bijbels analfabetisme is ontstaan
  2. Communie en dag des Heren
  3. Het Avondmaal des Heren
  4. Jaar van de Eucharistie
  5. Religieuze feesten in mei 2016

+++

Gerelateerde artikelen

  1. #83 The Body, het lichaam van Christus
  2. Herman Bavinck on Christian Piety (2) (Een van de belangrijkste onderdeelen der Kerkgeschiedenis is de historie der Christelijke vroomheid. Zij is lang en tot schade voor de gezondheid van het geestelijk leven verwaarloosd; maar in verband met de groote uitbreiding, die in den laatsten tijd aan de Kerkgeschiedenis gegeven is, verwierf zij toch allengs meer algemeene belangstelling en neemt zij thans eene breede plaats bij de historische onderzoekingen in.)
  3. Prière sur la Pierre de l’Onction. Gebed op de Steen van Balseming. Prayer on the Stone of Anointing.
Geplaatst in Christendom, Godsdienst, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Kerkopbouw | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 7 Omgaan met risico’s

Addendum: omgaan met risico’s

 

Ik wil dit hoofdstuk niet afsluiten zonder nog in te gaan op de argumenten van sommigen die menen dat de Bijbel het toepassen van preventieve geneeskunde verbiedt. Hiervoor wordt soms het vers geciteerd waar Jezus zegt:

“Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn” (Matt. 9:12).

Jezus zei dat in antwoord op de mening van de Farizeeën dat als Hij de echte Messias was Hij zich niet zou inlaten met zondaars, maar met hen, de rechtvaardigen. Hij maakt dat duidelijk als Hij eraan toevoegt:

“Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.”

Het is dus in de eerste plaats een beeld. Maar voor dat beeld gebruikt Hij een algemeen vaststaand principe: in een tijd waarin geneeskunde uitsluitend curatief (achteraf genezend) was, en preventieve geneeskunde nog niet bestond, zou je de dokter inderdaad pas roepen als er iemand ziek was. Dit was geen gebod, maar een verwijzing naar iets dat even voor de hand liggend was als een open deur. Het gaat niet aan om al zulke uitspraken van Jezus (of anderen in de Bijbel) te verheffen tot dwingende geboden. Daarnaast hoort men wel eens het argument dat God een doel heeft als Hij tegenspoed over ons brengt (wat ontegenzeggelijk waar is) en dat men Hem die mogelijkheid dus niet mag ontnemen (alsof wij dat zouden kunnen!) door vooraf maatregelen te nemen. Op dezelfde gronden zijn bijvoorbeeld in Zeeland bezwaren geopperd tegen dijkverzwaring. We moeten daar verder op ingaan, want hier speelt een principe dat verder gaat dan preventieve geneeskunde.

 

De vraag die hier speelt is:

in hoeverre moet of mag een christen zich wapenen tegen mogelijk onheil dat hem zou kunnen overkomen.

Brand is de belangrijkste dekking van de inboedelverzekering

Laten we eerst de grenzen eens afbakenen. Ieder van ons die een weg wil oversteken zal, als hij niet al te verstrooid is, eerst kijken of er geen auto aankomt. Dat beschouwen wij als normale voorzorg. Sterker nog wij zouden het bijzonder dom vinden als iemand het niet deed en daardoor aangereden werd. ‘Eigen schuld’ zouden wij zeggen, ‘had je maar moeten opletten’. We zouden het (terecht) ook niet accepteren als iemand ons zou willen aanpraten dat je, in plaats van te kijken, op God zou moeten vertrouwen, dat die je veilig aan de overkant brengt. We zouden dat beschouwen als God verzoeken, wat een vorm van zonde is. Anderzijds kun je, bijbels gezien, vraagtekens plaatsen bij het gedrag van iemand die, bijvoorbeeld, altijd achterin een vliegtuig wil zitten, omdat dat statistisch gezien de grootste overlevingskans geeft bij een onverhoopt ongeluk. Of bij iemand die al zijn geld besteedt om zich tegen van alles en nog wat te verzekeren. En dan bedoel ik niet de ‘normale’ verzekeringen tegen ziekte of brand. Zulke verzekeringen zijn gebaseerd op het uitsmeren van de kosten van diegenen die het overkomt (en het overkomt nu eenmaal een bepaald percentage van de bevolking) over het totaal van alle deelnemers. Dat is een vorm van solidariteit.
In een gesloten gemeenschap zou je zulke risico’s kunnen opvangen door, als het iemand overkomt, de schade gemeenschappelijk te dragen, als een vorm van solidariteit achteraf. In een onpersoonlijk geworden maatschappij kan dat niet meer. Maar wat wel kan is deze vorm van solidariteit vooraf. Daar is niets mis mee. En dan ga ik nog even niet in op mensen die op principiële gronden weigeren zich te verzekeren tegen wettelijke aansprakelijkheid. Die maken naast zichzelf ook hun eventuele schuldeiser tot lijdend voorwerp van hun overtuiging. Reeds de Wet van Mozes was geënt op de zorg en aansprakelijkheid voor de medemens. Nee, wat ik bedoel zijn verzekeringen tegen de meest onwaarschijnlijke of onbenullige risico’s. Als we die aangaan zouden we vertrouwen op onze verzekeringen in plaats van op God:

‘Mij kan niets gebeuren, want ik ben verzekerd’.

Het probleem zal intussen duidelijk zijn. We moeten een middenweg zien te vinden tussen het nemen van normale voorzorg en het willen uitsluiten van elk mogelijk risico ten koste van inspanningen die wij in Christus’ dienst nuttiger hadden kunnen besteden.

Terug naar ons dilemma: Je laten inenten tegen bestaande ziekten of je verzekeren tegen reële risico’s, die nu eenmaal bestaan, is één ding. Proberen absolute zekerheid te verwerven, buiten God om, een ander. En dat er geen harde scheidslijn ligt tussen die twee betekent alleen maar dat we zullen moeten leren nadenken. Dat we ons bij al ons handelen zullen moeten afvragen:

‘Wat verwacht God van mij?’

Dat is een onderdeel van ons leerproces. En als niet ieder van ons in een gegeven situatie tot dezelfde conclusie komt zullen we dat van elkaar moeten leren accepteren, zolang er maar serieus over nagedacht is.

+

Voorgaande

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 1 Wet van Mozes

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 2 Jezus en de Wet

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 3 Tien geboden

 Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 4 De sabbatdag

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 5 De Ware sabbatdag

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 6 Voorschriften van het apostelconcilie

De nacht is ver gevorderd 9 Studie 2 Schrik of troost 5 Menselijke politiek of Gods hand

Tekenen der Laatste Dagen

++

Aanverwant

  1. God meester van goed en kwaad

+++

Verder gerelateerd

  1. Geseënd
  2. Alive To God – Daily Thought 1 Chronicles 10:12
  3. Pad van Beproewing
  4. Ziek zijn is een full-time baan / being sick is a full time job
Geplaatst in Christen zijn, Christendom, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Levensvragen, Religie, Wereld | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 6 Voorschriften van het apostelconcilie

De voorschriften van het apostelconcilie

 

Wanneer er in de eerste gemeente onenigheid ontstaat over de vraag in hoeverre christenen verplicht zijn de Wet te houden, roepen de apostelen een soort concilie bijeen te Jeruzalem om de zaak te bespreken. Wij vinden het verslag hiervan in Hand. 15. De uitkomst is dat niet-Joden zich niet hoeven te laten besnijden maar dat hun wordt geboden zich aan vier voorschriften te houden:

  • Zich onthouden van wat door afgoden bezoedeld is.
  • Zich onthouden van ‘hoererij’.
  • Zich onthouden van het verstikte.
  • Zich onthouden van bloed.

Het eerste punt heeft betrekking op het eten van vlees dat oorspronkelijk in afgodentempels is geofferd. Dit werd later een fel bediscussieerd punt in de heidengemeenten, waarbij het lijkt alsof Paulus zich weinig aantrekt van de conclusie van deze bijeenkomst. We komen hier op terug in het volgende hoofdstuk. Het tweede punt betreft vermoedelijk het trouwen met al te nauwe familierelaties, wat volgens de Wet verboden was (zie Lev. 18 en 20), maar op welk punt de Romeinse wereld veel ruimere normen hanteerde. Het derde en vierde punt betreffen niet-kosher geslacht vlees, dwz. het consumeren van vlees dat niet volgens de voorschriften van de Wet was uitgebloed, respectievelijk het bloed zelf. In hoofdstuk 16 zagen we reeds dat de Joden bijzonder gevoelig waren op dit punt. Het argument voor deze voorschriften was dan ook:

“Immers Mozes heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen” (Hand. 15:21).

Men wilde kennelijk de Joodse gelovigen niet voor het hoofd stoten met praktijken die voor hen buitengewoon aanstootgevend zouden zijn. Dat houdt op zich al in dat deze voorschriften slechts bedoeld konden zijn voor een overgangstijd. Toen de scheiding tussen Jodendom en Christendom eenmaal een feit was, hadden deze voorschriften hun betekenis verloren.

 

Volgens de principes van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan wordt elke persoon die om humanitaire redenen bloed geeft op basis van vrijwilligheid, vrijheid, anonimiteit en solidariteit als een vrijwillige donor beschouwd.

Toch is niet iedereen het met bovenstaande conclusie eens. Er zijn mensen die menen dat de voorschriften van Hand. 15 dwingend zijn, maar daarbij beperken zij zich tot het vierde, het eten van bloed. En zij breiden dat uit tot een verbod op bloedtransfusies, wat in hun ogen een vorm van het ‘nuttigen’ van bloed is.
We hebben al gezien dat het in feite gaat om voorschriften uit de Wet betreffende niet-kosher geslacht vlees. Uit Paulus brieven aan de gemeenten te Korinte blijkt dat hij daar zelf verder niet aan tilt, wat de indruk versterkt dat het niet om een dwingend voorschrift gaat, maar om het ontzien van de gevoeligheden van zwakkere leden van de gemeente. Natuurlijk kan men Paulus’ argumenten ook zo uitleggen dat men de ruimte moet geven aan diegenen die voor hun geweten moeite hebben met het eten van bloed. Of men daarbij dat ‘eten’ moet oprekken tot het ondergaan van bloedtransfusies moet ieder dan maar voor zichzelf uitmaken. Maar wat zeker niet consequent, en dus niet toelaatbaar, is, is de neiging om het voorschrift tot bloedtransfusies te beperken. Daarvoor kan het voorschrift in de eerste eeuw niet gegeven zijn. Dat is alleen maar de arrogante houding van sommigen die menen dat de Bijbel er uitsluitend voor hèn is, en niet voor vroegere generaties. Wie meent gewetensbezwaren te hebben tegen het eten van bloed heeft geen andere keus dan zijn vlees te betrekken van de Joodse slager.

+

Voorgaande

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 1 Wet van Mozes

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 2 Jezus en de Wet

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 3 Tien geboden

 Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 4 De sabbatdag

Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 5 De Ware sabbatdag

++

Aanverwante lectuur

  1. Echte boodschap van redding niet ver te zoeken
  2. Wat betreft ‘Bloodless’ surgery avoids risks of transfusion – Health Care
  3. Bloedvrije operaties
  4. Engelse jongen van 15 overlijdt na weigering bloed

+++

Verder gerelateerd

  1. Vegan for the animals: 10 quotes die je aan het denken zetten
  2. Vegan Challenge
  3. Signal 7 – Alternative Bacon
Geplaatst in Christen zijn, Christendom, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties