Overdenking: Gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus

“Onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 1:3)

Wie zijn evangelie en brieven lezen, moet haast wel diep onder de indruk raken van het geloofsinzicht van de apostel Johannes. Hij wil ons in de eerste plaats op het spoor zetten van het geloof dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Maar zijn doel is niet alleen dat wij komen tot de kennis van – hoe belangrijk ook – objectieve waarheden. Want hij laat er direct op volgen dat wij in en door dat geloof het (eeuwige) leven hebben in de naam van Christus Jezus (Joh. 20:31). Hij helpt ons in te zien, dat wij zonder God en Christus, en zonder onze naasten niets zijn. In de Bijbel worden daartoe voorbeelden getoond van nauwe relaties, die aanschouwelijk maken hoe diep onze relatie met God, Zijn Zoon en onze medegelovigen moet zijn, wil ons geloof waarachtig zijn.

Als eerste is er de relatie tussen een vader en zijn kind. Zij zijn van hetzelfde vlees en bloed, en zouden daarom alles voor elkaar moeten zijn.
Hun liefde voor elkaar zou zo sterk moeten zijn, dat het verdriet over het wegvallen van de een zo groot is, dat de ander bijna niet meer kan leven, omdat hij of zij zich een leven zonder die geliefde niet kan voorstellen.
Let eens op wat Juda tegen Jozef zegt van zijn vader Jakob, wanneer diens zoon Benjamin naar Egypte moet komen:

“En nu, wanneer ik bij uw knecht, mijn vader, kom, en de jongen is niet bij ons, aan wiens ziel zijn eigen ziel nauw verbonden is, dan zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongen er niet is, dat hij sterven zal …” (Gen. 44:31).

Een zeer nauwe verbondenheid, waarin twee personen zich geheel met elkaar vereenzelvigen, doet hen als het ware dezelfde persoon zijn.

Johannes laat in zijn evangelie zien hoe innig de relatie is tussen God de Vader en Zijn Zoon Christus Jezus:

“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, die heeft Hem doen kennen” (Joh. 1:18).

Later zegt Jezus tegen de Farizeeën:

“Noch Mij, noch mijn Vader kent u: Indien u Mij kende, zou u ook mijn Vader kennen” (Joh. 8:19).

En Hij antwoordt Filippus – nadat Hij tegen hem had gezegd:

“Indien u Mij kende, zou u ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent u Hem en hebt u Hem gezien” (Joh. 14:7),

op diens vraag of Jezus hen de Vader wil tonen:

”Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (vers 9).

Waarom?
Jezus geeft het antwoord zelf in de vorm van een vraag:

“Gelooft u niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?” (vers 10)

en direct daarop vermaant hij Filippus:

“Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is” (vers 11).

Jezus is zo innig verbonden met zijn Vader dat zij volkomen één met Hem is, en omgekeerd heeft zijn Vader hem volkomen lief vanwege zijn bereidwillige gehoorzaamheid en leven zonder overtreding. Tot afgrijzen van zijn toehoorders zei Jezus eens:

“Ik en de Vader zijn één” (Joh. 10:30).

Niet in de betekenis van dezelfde persoon, maar als levend voor elkaar: één van zin, doel en streven. Jezus wil echter de Vader niet voor zichzelf houden. Hij wil integendeel dat anderen, die hij zijn vrienden noemt, delen in zijn relatie met de Vader. Zoals hij aan de boezem van de Vader ligt, zo mogen anderen, samen met de apostel Johannes, aan zijn boezem liggen.

Zo vervolgt hij:

“Te dien dage zult u weten, dat Ik in Mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u”(Joh. 14:20).

In zijn gebed later op die avond, vraagt hij de Vader of die relatie ook werkelijk tot stand mag komen. Niet alleen voor zijn trouwe discipelen daar bijeen, maar voor allen die door het woord van de prediking tot geloof komen:

“En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat allen één zijn, gelijk wij één zijn: Ik in hen en U in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één …” (Joh. 17:20-21).

Johannes is hierin een waar volgeling van Christus, wanneer hij in zijn eerste brief schrijft:

“het geen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u,opdat ook u met ons gemeenschap zou hebben. En onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 1:3).

In zijn brief ziet hij de gelovigen als kinderen van God (3:1). Zij zijn uit God geboren (4:7, 5:1) en daarom Zijn geestelijke kinderen, in wie Hij wonen wil, zoals in Zijn eniggeboren Zoon. Deze gehele eerste brief benadrukt sterk de eenheid die Vader, Zoon en de kinderen van God vormen. Een ander beeld, dat hiermee nauw verbonden is, is dat van de eenheid die een man en een vrouw vormen. In de tijd van Jezus was het kennelijk gebruikelijk dat een man zijn vrouw om allerlei reden wegzond. In de wet was dit niet zo vastgelegd. Alleen in geval van overspel was er een regeling. Op zekere dag komen er Farizeeën bij Jezus met een vraag hierover. Het antwoord van Jezus is:

“Hebt u niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw gemaakt heeft?…Daarom zal een man zijn vrouw en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn. Zo zijn zij niet meer twee, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheidde de mens niet” (Matth. 19: 4-6).

Hierover is uiteraard veel te zeggen, maar waar het in dit verband om gaat, is de feitelijk niet te scheiden eenheid, waar Jezus over spreekt. Aan deze eenheid gaat iets vooraf: man en vrouw worden aan elkaar verbonden als bruidegom en bruid. Zo ontstaat een eenheid, die niemand scheiden kan of mag. De partners zijn als het ware één lichaam geworden.

Johannes de Doper, ziet Jezus als de bruidegom. De relatie die Christus heeft, en de eenheid die hij vormt met individuele gelovigen wordt zo aanschouwelijk gemaakt als die tussen een bruidegom en bruid. Paulus benadrukt dit in het zesde hoofdstuk van de eerste brief aan de Korinthiërs, in verband met de veel voorkomende gevallen van hoererij in de Grieks-Romeinse wereld (1 Kor. 6:12-20). Hij stelt hen de vraag:

“Weet u niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn?”

Christus en de gelovige zijn een eenheid geworden, zodat een gelovige zijn of haar lichaam niet meer overgeeft aan het onheilige en onreine, aan zondige begeerten. Zijn tweede vraag is dan ook:

“Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die u van God ontvangen hebt, en dat u niet van uzelf bent?”

Wie leeft in relatie met Christus, kan dus niet meer over zijn of haar lichaam, leven, beschikken. Het is het eigendom van Jezus en Zijn Vader. Het staat tot zijn beschikking, tot zijn dienst om daarmee hem en God te verheerlijken. Van twee mensen wordt gezegd:

“… die twee zullen tot één vlees zijn”.

In hoofdstuk 7 schrijft Paulus:

“De vrouw heeft niet zelf over haar lichaam te beschikken, maar haar man; en eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, maar zijn vrouw” (1 Kor. 7:4).

Van de verbondenheid tussen Christus en de gelovige zegt Paulus:

“Maar die zich aan de Here hecht, is één geest (met Hem)”(1 Kor. 6:17).

In zijn tweede brief aan de Korinthiërs komt hij terug op dit punt. Hij stelt zich aan hen voor als waker over hun geloof in de ene Jezus Christus, in wiens naam zij gedoopt zijn, op grond van hun geloof in hem, en als waker over hun rein en heilig, Christus toegewijde leven. Zijn vraag is:

‘Hoe kunnen zij dan, bekend als zij zijn met Jezus en al Zijn liefde en toewijding voor hen, als was Hij hun zorgzame, liefdevolle en trouwe echtgenoot, zich overgeven aan een andere Jezus, die valse predikers hen voorstellen?’.

“Want”

zegt hij in hoofdstuk 11: 2

“ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen”.

Een prachtig beeld dus van de verbondenheid die ontstaat tussen Christus en een gelovige, op het moment dat hij of zij, gereinigd van geestelijke onreinheid, opstaat uit het bad van wedergeboorte.

Een eenheid die nooit meer teniet gedaan kan worden, tenzij door onszelf, als wij Jezus verlaten door ons te hechten aan iets anders: eer, macht of bezit. Wanneer wij terugkeren tot de natuurlijke, aardse, vleselijke staat, die de geestelijke relatie met Christus in de weg staat. Tot slot is er dan nog een andere eenheid: die van een lichaam. In het bekende gedeelte van zijn eerste brief aan de Korinthiërs schrijft Paulus:

“Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt … Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden” (1 Kor.12:12).

Het lichaam vormt een harmonieuze eenheid. Het functioneert door de samenwerking van alle delen:

“Indien zij alle één lid vormden, waar bleef het lichaam? Maar nu zijn er wel vele leden, maar slechts één lichaam” (vers 19 en 20).

In de brief aan de Efeziërs schrijft Paulus hier ook over, zij het in een ander verband. Hij heeft de lezers in hoofdstuk 5: 21 vermaand onderdanig te zijn aan elkaar, zoals zij onderdanig zijn aan Christus. Lees eens zijn woorden in Efeziërs 5:22-33.

“22 Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer. 23 Want de man is het hoofd van de vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk. Hij is ook de verlosser van zijn lichaam,” (Efe 5:22-23 WV78)

Wat hij hier duidelijk maakt, is dat de levenswijze in het vlees, waarin wij allen nog verkeren, een afspiegeling moet zijn van de eenheid van Christus met de gemeente. De gemeente is de som der delen van een lichaam:

Christus is het hoofd, de gelovigen in hem zijn de leden.

Zij zijn verbonden aan Christus en leven dienovereenkomstig als de bruid, de vrouw voor haar man. Zulke gelovigen vormen de ware, heilige gemeente, die door Christus wordt gevoed en gekoesterd. U heeft misschien gemerkt, dat Paulus aan het eind van deze passage niet meer het beeld van Christus en de gemeente gebruikt, maar weer terugkomt op het punt van de eenheid van man en vrouw. Hij doet dit nadat hij in vers 30 gezegd heeft:

“Omdat wij leden zijn van Zijn lichaam”.

Dan volgt een redengevend daarom:

“Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente”(verzen 31 en 32).

Wat is dit grote geheimenis? Is het misschien die steeds terugkerende oproep:

“gaat uit van haar”?

Het verlaten van wat ons aan de wereld bindt (familie-, vrienden-, werkrelaties, bezit, aanzien, macht etc.) om ons geheel aan Christus te geven, en zo volkomen één met hem te worden? Net zoals een man zijn vader en moeder verlaat om voortaan bij zijn vrouw te zijn? Verlangt u naar die eenheid met Jezus Christus?

J.D.

++

Aanverwante lectuur

  1. De Enige Ware God
  2. Plan van de Goddelijke Maker
  3. Rond Jezus
  4. Jezus de gezonden afgezant van God
  5. Jezus de Heer
  6. Jezus de Zoon
  7. Christus in profetie
  8. Zoon van God
  9. Zoon van God – Vleesgeworden woord
  10. Zoon van God dé Weg naar God
  11. Eigenheden aan Jezus toegeschreven
  12. Relatie tot Christus
  13. Hij die zit aan de rechterhand van Zijn Vader
Geplaatst in Bijbel of Heilige Schrift, Bijbelonderzoek, Christen zijn, Jehovah, JHWH, Jawheh, Elohim God, Yahuwah, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Kerkopbouw, Levensvragen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Aan een betere opstanding deelhebben

Geloof heeft te maken met “dingen die men niet ziet”. Die staan tegenover het zichtbare, het tastbare – het stoffelijke, dat wij wel kunnen zien, aanraken, koesteren, bezitten, verlangen – en hetgeen wij nu zijn – ons aanzien, de eer die wij ontvangen, de macht en de invloed die wij hebben. De menselijke begeerte doet ons hiernaar verlangen, en houdt onze gedachten gericht op wat wij graag in de wereld willen zijn, doen en hebben; op ons aards bestaan, het nu.

Het Evangelie plaatst ons voor een keuze. Want het is een geestelijke boodschap, die spreekt van het niet stoffelijke, van wat er nog niet is, van verandering van ons leven van binnenuit, van een voorbeeld in Christus Jezus, van toekomstige heerlijkheid. Ons aardse leven en het geestelijke leven dat God van ons vraagt, staan vaak op gespannen voet met elkaar. We leven in het heden en willen graag onmiddellijk waar we naar verlangen. De schrijver van de brief aan de Hebreeën toont in hoofdstuk 11 hoe mensen tot het geloofsinzicht kwamen, dat het nu niet zaligmakend is; dat de beloning die de wereld biedt uiteindelijk niet bevredigt, omdat deze tijdelijk is, beperkt tot ons leven nu, maar dat de beloning die God geeft eeuwig is. Immers

“wie tot God komt,moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken” (6).

Dat stelde hen zelfs in staat het huidige leven niet te achten, maar het in de dienst van God te geven. Gelovende dat Hij over de dood heen zal schenken wat Hij heeft beloofd: leven in Zijn nabijheid. Gelovende dat alles dat wij nu kunnen zijn, ervaren en verkrijgen niet opweegt tegen de eeuwige heerlijkheid die God schenkt.

De schrijver spreekt enkele malen over de erfenis. Niet wat iemand ontvangt na dat zijn vader is gestorven: zijn land, vee en huis, maar wat God heeft beloofd aan wie volhardt in geloof en heilige toewijding aan Hem, zonder iets voor zichzelf te zoeken in de wereld. Zelfs in een tijd van beproeving niet het behoud van dit sterfelijke leven.

Noach werd door zijn geloof

“erfgenaam van de gerechtigheid die aan het geloof beantwoordt” (7).

Abraham vertrok uit een veilige, welvarende stad

“naar een plaats die hij als erfenis zou ontvangen” (8).

Maar daar gekomen woonde hij er als vreemdeling, wachtend op de

“de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is” (10).

Een andere samenleving, waarin wij in heel andere omstandigheden zullen leven dan nu. De schrijver voegt er aan toe:

“als zij gedachtig waren geweest aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren” (15).

Maar deden zij niet, omdat zij dààr niet naar verlangden,maar naar wat God beloofde, en wat hij

“een beter, dat is een hemels vaderland” (16)

noemt. De nieuwe samenleving, die God op aarde tot stand zal brengen. Maar zij wisten dat deze samenleving niet zou komen tijdens hun leven. Zij keken over de dood naar de toekomst, in de stellige overtuiging dat God in staat is hen op te wekken en te geven wat Hij hen beloofde. Het hoogtepunt in deze vroege geschiedenis is de overweging die opkwam bij Abraham, toen hij overdacht wat God met hem voorhad, toen Hij hem vroeg Isaak te offeren:

“Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken terugontvangen” (17-19).

De dood was voor hem niet het einde. Het was een tijdelijk teruggeven van het leven aan God, in het sterke geloof dat God, nu of in een verre toekomst, zal doen wat Hij heeft gezegd, ook al is degene aan wie Hij zijn beloften gaf gestorven.

De woorden aan het eind van deze perikoop laten zien, dat allen die de schrijver noemde al lang zijn vergaan tot stof. Zij blijven daar liggen tot het door God bepaalde moment, waarop zij zullen worden gewekt uit hun doodsslaap. Niet om het oude leven weer op te nemen, zoals degenen die door de profeten en Jezus werden opgewekt. Zij kregen alleen het tijdelijke leven terug, verlost van de ziekte waaraan zij waren gestorven, maar met het vooruitzicht dat zij op zekere dag opnieuw zouden moeten sterven.
De opwekking van Lazarus (Joh. 11) is zowel voorproef, als bewijs van de opstanding tot eeuwig leven op de jongste dag. Ondanks het dringende verzoek om naar de zieke Lazarus te komen, ging Jezus niet direct, maar enkele dagen later. Toen hij er dan eindelijk was en Lazarus al vier dagen dood en begraven was, zei zij enigszins teleurgesteld:

“Here, indien Gij hier geweest was, zou mijn broeder niet gestorven zijn” (21).

Het geloof van Martha was ongetwijfeld groter dan hier misschien blijkt. Want zij wist van de opwekkingen die Jezus had verricht, en de woorden die hij na de tweede wonderbare spijziging sprak (Joh. 6). Als hij dus een of twee dagen eerder was geweest, had Jezus haar broer nog kunnen opwekken. Maar nu was het volgens haar te laat

“het is al de vierde dag”.

En daarom kon zij niets anders zeggen dan:

“Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert” (vers 22).

Het was dus een beproeving van haar geloof en geduld. Een strijd tussen persoonlijk verdriet om het gemis van haar broer, en haar geloof in zijn opstanding op de jongste dag. Tot wie wilde zij behoren? Tot degenen die haar doden uit de opstanding terugontvangen? Of tot degenen die van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan betere opstanding deel mochten hebben”? (Hebr. 11:35).
Zij kende het geloof van Lazarus, en zij geloofde dat hij, op het door God bepaalde moment, uit de doden zou opstaan:

“Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de jongste dag” (24).

Maar dat was niet voldoende. Jezus wilde weten of, wellicht aan het licht brengen dat, dit niet zomaar een vage uitspraak was. Geloofde Martha echt dat Jezus eeuwig leven kan schenken op grond van geloof in hem?

“Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft u dat?”

En daarop antwoordde zij:

“Ja, Here, ik heb geloofd, dat U bent de Christus, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou” (25 en 26).

Op grond van dat geloof riep Jezus Lazarus uit het graf. Niet als beloning, of om Martha een plezier te doen, of omdat hij haar verdriet van dat moment niet kon verdragen. Natuurlijk voelde hij met haar mee, maar het ging hem om de dood als zodanig, die uiteindelijk alle mensen opslokt en gevangen houdt. Het is zijn taak hen daarvan te bevrijden. Hij deed dit daarom als bewijs van de macht die hij van zijn Vader kreeg, om straks allen die in geloof gestorven zijn, voor eeuwig te bevrijden uit de kerker van de dood.

Lazarus is later weer gestorven. Ongetwijfeld was zijn geloof verdiept na de kruisiging en opstanding van de Here Jezus, zodat hij des te meer en beter kon uitzien naar die betere opstanding in de toekomst. Een opstanding – of verandering wanneer wij leven bij de komst van Christus – die een definitief einde maakt aan alle beproeving in dit leven. Alles wat wij in navolging van de Here moeten ervaren, wil de echtheid van ons geloof blijken en God rechtvaardig zijn op de dag van het oordeel.

J.D

Geplaatst in Christen zijn, Godsdienst, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Levensvragen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Hosanna Zoon van David

Na zijn intocht in Jeruzalem, trof Jezus in de tempel twee radicaal tegenovergestelde groepen mensen aan – de kinderen en de priesters (Mattheüs 21:14-16). Eindelijk had Jezus zichzelf als Messias aan de schare geopenbaard.

Door op een ezel binnen te rijden, vervulde hij de profetieën van Zacharia 9:9 en Jesaja 62:11. Tot dan was zijn identiteit als Messias een geheim tussen hem en zijn naaste discipelen gebleven, al had hij zich geïdentificeerd met het Koninkrijk dat hij predikte, een boodschap die voor zich had moeten spreken.
Nu herkende de schare pelgrims, die naar het Paasfeest stroomde, dat hij inderdaad de ‘Zoon van David’ was, en haalde hem als koning de stad binnen:

“Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in de naam des HEREN; Hosanna in de hoogste hemelen!” (Matteus 21:9).

Hosanna betekent geef heil (bidden wij U) en is hier een citaat uit Psalm118:25-26. Later op die dag, of misschien de volgende dag, herhaalden kinderen deze leus, die zij van de schare hadden gehoord. Wij weten niet wie deze kinderen waren; van veel groter belang is de morele betekenis hiervan:

“En in de tempel kwamen blinden en lammen tot Hem en Hij genas hen” (Mattheüs 21:14).

De kinderen zagen dat en riepen:

“Hosanna de Zoon van David!”

De overpriesters en schriftgeleerden zagen het ook, maar namen het hem kwalijk (“waren hoogst verontwaardigd”, NBV). Zij berispten hem om het onbetamelijke karakter van die eerbetuiging, en dat hij zich op die wijze liet erkennen:

“Hoort U wat dezen zeggen?”

Alsof zij wilden zeggen:

“Waarom wijst U dit niet af? Weet U niet hoe onbetamelijk het is dat U, een Galileese plattelander, als de Zoon van David toegejuichd wordt?”

Zijn wonderen konden zij niet ontkennen maar zij wilden proberen hem op andere wijze een halt toe te roepen. Jezus’ antwoord kwam, zoals zo vaak, uit de Schrift:

“Ja, hebt gij nooit gelezen: uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid?” (Psalm 8:3, Septuaginta).

Ootmoedig noemde David zijn lof aan God slechts het gebrabbel van een baby, in vergelijking met de majesteit van de schepping en de verhevenheid van Gods plan. Toch heeft God die hakkelende woorden gebruikt om

“sterkte te grondvesten en vijand en wraakgierige te doen verstommen”,

want in zijn wijsheid heeft God

“wat voor de wereld zwak is uitverkoren om wat sterk is te beschamen”(1Korintiërs1:27).

En dat is gebleken: eeuwen lang is die psalm een sterke veste van de waarheid gebleven; het bewijs dat in Gods voornemen de schepping haar hoogtepunt in de Zoon des mensen zou vinden, degene die “over de werken uwer handen” zal heersen(Psalm 8:7). “Sterkte” en “lof” komen hier dus met elkaar overeen.

Jezus gebruikte deze psalm op fijnzinnige wijze, maar ook met indringende ironie. Wat was er in de tempel aan de hand – een groep jongeren die een populaire leus overnamen?
Misschien wel, maar het was gemeend. Zij hadden wonderen gezien en juichten dat een mens lammen en blinden kon genezen. Zij reageerden uit eenvoud des harten met woorden die meer betekenden dan zij hadden kunnen vermoeden, woorden van waarheid.
Zij juichten omdat zij geen verborgen motieven hadden, die hen blind maakten voor wat zonneklaar was.

“Kleine kinderen en zuigelingen”

hebben geen trots te bewaken, geen winst te zoeken, geen waardigheid of eigenbelang te handhaven. En daarom zien zij. Het zijn de “wijzen en verstandigen”, die het grootste risico lopen om verblind te worden door hun eigen omslachtige motieven, die uit eigendunk handelen. De hogepriesters waren de aristocratische Sadduceeën, die veel belang hadden bij het handhaven van de toestand zoals die was. Het huis van Annas dankte zijn positie aan de Romeinen; als deze buitenlandse overheersers hun “de plaats en het volk”( Johannes 11:48) zouden ontnemen, zouden ook de waardigheid, en de winst die daar bij hoorden,voor het hogepriesterlijk huis verdwijnen.
De schriftgeleerden waren de partij van de Farizeeën, die veel meer omgang met het volk hadden en minder gehecht waren aan hun maatschappelijke positie. Toch koesterden zij een nog grotere afkeer van Jezus, want hij daagde hun invloed als geestelijke leiders uit. Zelfs geld en aanzien zijn niet zulke sterke motieven als het verlangen om op anderen invloed te hebben. Dus waren het de kleine kinderen die lof offerden en hun woorden – hoe gebrekkig hun verstand ook mocht zijn – waren een sterkte, omdat zij Gods waarheid en doel belichaamden. Anderzijds komt dit er op neer, dat het hogepriesters en schriftgeleerden waren tegen wie die sterkte gericht was – iets dat binnen een paar dagen op zo treurige wijze zou blijken.

”Indien Ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch Mij en mijn Vader gehaat.” (Johannes 15:24).

Laten wij eerlijk in de spiegel kijken, die door deze twee groepen mensen in de tempel vóór ons wordt geplaatst: zijn wij vóór, of tegen Jezus

Alle citaten uit de NBV behalve waar anders vermeld.

L.G.S/C.T.

Uit de oorspronkelijke Engelse editie vertaald en heruitgegeven, met toestemming van The Christadelphian Magazine & Publishing Association,Birmingham, UK, aan wie alle rechten voorbehouden zijn.

Geplaatst in Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Zijn als een kind

Op een dag brengen sommige mensen hun kinderen bij Jezus. Ze vragen hem de handen op hen te leggen en voor hen te bidden. Jezus’ leerlingen maken bezwaren en berispen die mensen. Kennelijk willen zij niet dat zij hun leermeester storen in zijn werk. Maar Jezus denkt daar anders over. Hij zegt tegen hen:

‘laat de kinderen ongemoeid, belet ze niet bij mij te komen, want het koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij. En nadat hij hun de handen had opgelegd, trok hij weer verder’ (Matth. 19:13-15).

Tot zover de weergave in Mattëus. Marcus vertelt dat Jezus deze kinderen aanraakt, en voegt eraan toe dat Jezus hen in zijn armen neemt en zegent door hun de handen op te leggen (Marc. 10:13-16). Terwijl Matteüs en Marcus hebben opgetekend

‘belet ze niet bij mij te komen’,

laat Lucas Jezus de kinderen bij zich roepen, een zeer actieve uitnodiging dus. Jezus wil dat deze kinderen bij hem komen. Hij wil ze aanraken en omarmen. Zoals altijd gebruikt Jezus een voorval om de discipelen een les te leren. Een belangrijke les!

Volgers van Jezus horen als kinderen te zijn

Waarom zegt Jezus dat voor zodanigen (aan wie is zoals zij) het koninkrijk van God is (Lucas 18:17)?

Matteüs en Marcus gebruiken voor het woord ‘kind’ het Griekse woord paidion, terwijl Lucas opvallend genoeg het Griekse woord brephos vermeld.Er is namelijk een verschil.Brephos betekent ongeboren foetus, of pasgeborene (dus baby).

Paidion heeft betrekking op een klein kind, jongen of meisje. Wat maakt dat deze zeer jonge kinderen model kunnen staan voor waar discipelschap? Want Jezus’ ware discipelen lijken op deze kinderen!

Sommigen zeggen dat kleine kinderen nederig zijn en dat dit de les is. Maar baby’s en kinderen van een paar jaar oud, zijn helemaal niet nederig. Nederigheid moet worden geleerd. Iedere ouder weet dat jonge kinderen egocentrisch zijn. Een kind van twee of drie kan zeer drammerig zijn, soms tot wanhoop van zijn ouders. Alles moet wijken voor zijn directe behoeftebevrediging. Des te intrigerender is daarom de vraag waarom Jezus die kinderen dan toch in zijn armen neemt en hen zegent? Zou het kunnen zijn dat zeer jonge kinderen een eigenschap missen die ouderen wel hebben: inbeelding en vooroordeel?
Die eigenschap van vooroordeel werkt heel belemmerend om nieuwe dingen te leren. Bovendien werkt het mechanisme ‘vooroordeel’ grotendeels onbewust.

Ouderen hebben zoveel meegemaakt dat deze ervaringen, positieve en negatieve, hun gehoor als het ware doen verstoppen. Iemand die in zijn jeugdjaren veel liefde heeft meegemaakt, zal ontvankelijker kunnen zijn voor de presentatie van een liefhebbende God. Maar wanneer iemand door zijn ouders is verwaarloosd of zelfs niet is geaccepteerd, dan blokkeert dat mogelijk zijn gevoeligheid voor positieve berichten en indrukken.

Sommigen zijn grootgebracht in een zwaar-godsdienstig milieu; hun ervaringen drukken een blijvend stempel op hen. Een sprekend voorbeeld is de schrijver van het bekende boek Knielen op een bed violen. Zoals een recensent het uitdrukte:

wat je in dat boek leest grijpt je naar de keel en ontroert.

Paradoxaal genoeg kan zelfs een goede jeugd verhinderend werken. Juist vanwege die warme positieve opvoeding die het kind heeft gehad, zou het moeilijk kunnen zijn om al te kritisch naar zijn ouders te kijken. De eigenschap loyaliteit aan de ouders speelt soms een niet te onderschatten rol. Bij een opvoeding waarbij de ouders hun kinderen leren kritisch te zijn, ligt het weer anders. Er behoort een balans te zijn: kinderen grenzen leren en ruimte geven voor eigen onderzoek. Dan zullen zij later ook beter in staat zijn zich open te stellen, om te onderzoeken en te toetsen op juistheid en echtheid.

Stellen wij nog eenmaal de vraag:

waarom moeten wij als de kinderen zijn?

Wat maakt een kind zo bijzonder om als voorbeeld te dienen? Het lijkt mij dat een kind, in tegenstelling tot ouderen, weinig vooroordelen heeft ontwikkeld (die komen trouwens snel genoeg), en in die zin minder belemmeringen kent, zodat hij zich op een natuurlijke manier kan openstellen voor nieuwe boodschappen en indrukken. Een kind is nog plooibaar, kneedbaar en leerbaar. Hij is nog niet volgestopt met wettisch denken,regels en verkeerde doctrines om maar wat te noemen. Jezus idealiseert het jonge kind niet, we moeten dus oog blijven houden voor de minder leuke kanten, maar hij benadrukt hier de voordelen van het kind zijn.

Jezus leert (Jezus richt zich tot zijn leerlingen, tot de zodanigen):

Ik verzeker jullie: wie niet als een kind open staat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan!

Het is heel makkelijk om te letten op “openstaan” en “binnengaan”. Het is even makkelijk om de betekenis “het koninkrijk van God” over het hoofd te zien. De woorden horen bij elkaar. We zullen dus van Jezus moeten leren wat dat koninkrijk is dat hij bedoelt! En dan gaat het er om dat wij voor dát koninkrijk openstaan. Luisteren, en nog eens luisteren naar wat de Bijbel zegt! Want er bestaan helaas zoveel onjuiste gedachten hierover. Er zijn volwassenen die menen alles al te weten, en vinden dat zij niet meer hoeven te onderzoeken. Zij zijn vol vooroordelen. Dat geldt zelfs voor sommige christenen die van mening zijn reeds voldoende van het evangelie te weten, en het echt niet nodig te hebben dat anderen hen op dingen wijzen waar zij nog nooit bij hebben stilgestaan. Zij zijn als het ware vastgeroest in hun eigen denkbeelden. Sommigen denken zo vierkant dat zij niet om te kantelen zijn.

“Wat goed genoeg was voor mijn ouders,is goed genoeg voor mij”.

Dat klinkt wel vroom, maar hoeft dat helemaal niet te zijn.Velen hebben hun ramen en deuren gesloten. Dat gold voor de vrome Farizeeën,maar geldt evengoed voor vrome mensen van nu. Het zijn niet alleen de atheïsten die de luiken hebben dichtgedaan. Het zijn evenzeer de vastgeroeste christenen die niet(meer) openstaan voor nieuwe informatie. Ook in het vierde evangelie lezen wij over kinderen.

“Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden” (Johannes 1:12).

Het woord ‘kinderen’ komt van weer een ander Grieks woord: teknon. Het bijzondere van dit woord is dat het op een kind slaat dat een leerling van God is. Het woord duidt geen sekse aan. In dit verband is sekse helemaal niet van belang. Deze (aangenomen) kinderen zijn de ware leerlingen. Zij ontvangen de echte Jezus die uit Maria is geboren. Zij geloven in zijn naam. Deze kinderen van God zullen mogen delen in alle bijzondere voorrechten die God hen heeft beloofd. Te denken valt onder andere aan de lichamelijke opstanding tot eeuwig leven. De apostel Paulus gebruikt hetzelfde woord, wanneer hij schrijft:

“De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn” (Romeinen 8:16).

Deze kinderen van God zijn kinderen van de opstanding. Wanneer zij onsterfelijk leven hebben ontvangen, dan huwen zij zelfs niet meer. Een heel nieuwe bestaanswijze. Zij zullen geen kinderen voortbrengen die tot voorbeeld worden gesteld voor anderen. Zij zelf zijn de kinderen die voorbeeld zijn voor andere mensen, die nog sterfelijk zijn en begeleiding nodig hebben.

M.R.

Geplaatst in Christen zijn, Christendom, Godsdienst, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Religie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Ontmoeting met: Abigaïl

Kennismaking met bijzondere vrouwen en mannen in de Bijbel: Abigaïl

Abigaïl (vreugde van vader) was een verstandige en God vrezende vrouw. Haar man, die Nabal (dwaas) werd genoemd, was een ruwe, gewetenloze man, waarmee niet te praten was. Hij had David, die met zijn mannen zijn kudden lange tijd had beschermd, diep beledigd. Toen David op het schaapscheerderfeest een deel van het feestmaal voor zijn mannen verwachtte, hoonde Nabal:

Wie is David, er lopen zoveel slaven weg.

David was daarom van plan wraak te nemen. Een van de knechten van Nabal vertelde Abigaïl echter van de lompheid van haar man. En dan zien we het karakter van Abigaïl. Ze raakte niet in paniek, maar handelde direct, om David te behoeden voor een dwaasheid en haar man te redden van de dood. Ze stuurde knechten met voedsel naar David, en volgde wat later zelf. In een bergkloof ontmoette ze David met zijn mannen, omgord met het zwaard, op weg om groot onheil over haar huis te brengen. Daar stond zij, een vrouw, alleen, maar vertrouwend op God. Zij sprong van haar ezel en knielde voor David neer. Haar spreken getuigt van nederigheid en openheid, moed en inzicht:

“Mij treft alle schuld, mijnheer. Schenk alstublieft geen aandacht aan die domme praatjes-maker van een Nabal. Had ik uw boden maar te woord kunnen staan”.

Zij voelde zich geheel verantwoordelijk, want de leiding van het huis lag bij haar, maar gaf God de eer:

“De HEER heeft u weerhouden om het recht in eigen hand te nemen en bloedschuld op u te laden”.

Zij vervolgde:

“Ik weet zeker dat de HEER uw huis zal laten voortbestaan … wanneer de HEER al zijn goede beloften aan u inlost en u aanstelt tot vorst over Israël …”.

Hier zien we haar diepe inzicht en vertrouwen op Gods plan. David was diep onder de indruk van haar woorden en haar moed:

“Ik dank de HEER dat hij u vandaag op mijn weg heeft gestuurd. En u dank ik voor uw verstandig optreden”.

Abigaïl vertrouwde geheel op de HEER. Zij riskeerde haar leven voor Zijn zaak en die van David, zijn gezalfde. Zo werd zij een groot voorbeeld voor allen die de Heer willen dienen.

N.D

Geplaatst in Ontmoeting - Portret - Bijbelse figuren | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

14 Nisan gelegenheid om anderen in samekomst bijeen te brengen

Over twee dagen mogen wij de aanzet geven tot het belangrijkste weekend van het jaar 2019. Op vrijdag 19 april komen wij samen voor het avondmaal van 14 Nisan.

Op die zeer speciale avond kijken wij naar de wereld, hoe dat deze weg van God is gegaan en door de geestelijke en werkelijke vervuiling een aanzuigend moeras is geworden waar de meerderheid, dikwijls zelf niet beseffend, dieper en dieper weg zakt.

In deze wereld van materialisme is de materie de grootste afgod geworden. Het liefst schaft de meerderheid van mensen zich zoveel mogelijk laatste snufjes aan. Het liefst willen de meeste mensen ook pronken met die aller laatste nieuwtjes.

Bij de zeer erge brand van de Notre-Dame de Paris moeten wij erg genoeg wast stellen dat zelfs stenen en verbrand hout vlugger gelddonaties kunnen verkrijgen dan mensen die getroffen zijn door oorlogs- en natuurgeweld en snakken naar wat eetbaars. Zij moeten op hun honger zitten terwijl binnen de twee dagen al 800 miljoen Euro bijeengebracht is om tot de herstelling te komen van dat historisch monument, dat tot 14 miljoen bezoekers per jaar in de Franse hoofdstad mocht ontvangen.

Die kerk kreeg dan wel niet die bezoekers voor een kerkdienst of voor een ingetogen moment met God.

Ingetogen ogenblikken met God zijn heden een rariteit geworden. In onze westerse maatschappij ligt God niet bepaald op de rand van de tong of vooraan op de lippen.

Vrijdag avond is echter een uitstekende gelegenheid om mensen uit te nodigen en te laten zien waarom het vergaderen zo belangrijk is en hoe wij als broeders en zusters in Christus hoop mogen hebben op iets ongelofelijk mooi en onverwoestbaar. Die avond is ideaal om aan te tonen dat al die materie vergankelijk is en hoe wij iets veel vaster voor ogen mogen houden. Verder kunnen wij voorleggen waar wij als mens beter onze verlangens laten naar uit gaan.

De voor- en na-oorlogse generatie had heel wat verlangens. Wij hebben ook bepaalde levensvormen uitgeprobeerd waar sommigen toen en nu ‘vies’ tegen aan keken. Met vele kleuren trachtten wij toen echt kleur te geven aan ons leven dat wij hoopten in symbiose te brengen met onze omgeving, vol respect voor de Grote Maker van dit alles. Wij zochten ook meerdere vormen om ons geloof kleur en zin te geven en dit in gemeenschap ten volle te beleven. toen stond het samen beleven centraal, nu lijkt het egoïsme gezegevierd te hebben en is het grote “Ik” aan de orde van de dag, waarbij die persoon zich meestal beter wil voorstellen dan hij of zij eigenlijk is. Hiertoe worden dan de allernieuwste snufjes boven gehaald om zich te veruiterlijken als de meest bij de tijd zijnde.

Maar hoe zit het dan met hun verlangens en hun hoop?

Lees hier verder meer over: Verlangens van hedendaagse jongeren

en denk er dan eens over na waar u wil staan in deze wereld van genot, luxe en verheerlijking van de materie.

Is er in deze wereld ook nog plaats voor Diegene Die alles mogelijk maakt?

Hoe sta je tegenover de Schepper en tegenover diegene die bevrijding van de slavernij van de mens en van de doodstraf bracht?

Op 14 Nisan zullen wij samen rond de tafel zitten en de Nazareen Jezus gedenken, hoe deze ook met zijn getrouwen samen kwam om de uittocht van Egypte te gedenken, maar ook om aan te geven dat met hem een nieuw tijdperk was aangetreden waarbij een Nieuw Verbond met God werd aangegaan. Voor ons is die verbondsdaad onze bevrijding en onze hoop naar een betere toekomst. Het geluk dat daarin gesloten is willen wij dan ook met velen delen.

Mogen wij er op rekenen dat u, waar ook ter wereld, mee zal denken aan die bijzondere bijeenkomst van Jezus, en dat wij ons als broeders en zusters in Christus verbonden mogen voelen in eenheid, met de hoop op de Genadegave?

Vergeet u ook niet om anderen uit te nodigen, bij u thuis of in uw gemeenschapshuis, om samen Jezus avondmaal te herinneren?

Geplaatst in Broeders, Christadelphian, Christen zijn, Christenheid, Godsdienst, Jehovah, JHWH, Jawheh, Elohim God, Yahuwah, Kerkopbouw, Levensvragen, Religie, Wereld | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Jeremia die verhaalt terug te komen naar Hem Die roept

Wat niemand voor mogelijk had gehouden, kon in 722 vóór onze huidige tijdrekening toch gebeuren. Het land Israël lag in puin. Het allerergste was dat de tempel werd verwoest.
Het verbond tussen God en Zijn volk leek voorgoed te zijn verbroken.

De Assyriërs namen de bevolking mee naar hun eigen land en de ballingschap van het volk Israël bleek een verschrikkelijke gebeurtenis te zijn waarbij Gods Volk niet enkel het doek voor het tienstammenrijk zag vallen. In 586 vGT verwoestten de Babyloniërs Jeruzalem en brachten daarmee een eind aan het tweestammenrijk.

Eeuwenlang had God beide landen gewaarschuwd en mensen voorzien die het volk waarschuwden voor de consequenties als zij zich niet aan de wetten van God zouden houden. Jehovah stuurde profeten om Zijn volk op andere gedachten te brengen.
Jeremia 3 bevat zo’n voorbeeld. Het tweestammenrijk bestond toen nog.
De tempel in Jeruzalem stond nog overeind en ook de tempeldienst ging nog steeds door. Maar naast de tempel had Juda ‘afgoden op elke heuvel en onder elke boom’. Overal werd wel een afgod vereerd.

De tien stammen die al weggevoerd waren, hadden God openlijk verlaten. Juda en Benjamin deden dat min of meer in het geheim. Ze hadden naast God of in plaats van Hem hun eigen goden.

Opvallend is dat Jehovah God Juda liet waarschuwen door een profeet die afkomstig was uit het noordelijke rijk. Dat was Jeremia. Hij had meegemaakt wat er met het tienstammenrijk was gebeurd.

Jeremia gebruikte het beeld van een man, wiens vrouw meerdere keren overspel had gepleegd. Een man die zijn vrouw toch liet weten:

‘Kom terug.’

Het was in die tijd en met de wetten van toen onbestaanbaar dat een man zich in zo’n situatie zo gedroeg. Je maakt het nu een enkele keer mee. Maar dan moet de liefde wel van twee kanten komen en zijn er heel veel gesprekken nodig.

Bij dit gebeuren van het weggaan van de ene partner laat Jeremiah de mensen na denken over het weggaan van de Allerhoogste Vader en laat hen zien dat Deze hen nog steeds de kans geeft om weer naar Hem terug te keren. Wat voor mensen onmogelijk is, dat is mogelijk voor God. God, de bruidegom, wil trouw zijn aan een ontrouwe bruid.

Het is een hartverscheurend verhaal.
Ook de naam van Israël valt, terwijl het volk allang in dat verre land woonde.

‘Israël, kom terug.’

Je zou verwachten dat de catastrofe die Israël had getroffen, juist een positief effect zou hebben op Juda. Deze gebeurtenis zou een teken aan de wand kunnen zijn voor het tweestammenrijk.

Een schip op het strand is een baken in zee,

zegt het spreekwoord. Maar dat gebeurde niet.

Ook het koninkrijk Juda ging ten onder en werd naar Babel weggevoerd.

Toch liet God Zijn volk ook daar niet los.

‘Kom terug.’

Dit moet ons ook doen denken aan de gelijkenis van de verloren zoon…

Alsook moeten wij nu in overweging nemen of wij niet in onzuiverheid zijn gevallen en eigenlijk in de huidige staat onwaardig zijn om voor Gods troon te verschijnen.  Deze week gaan wij naar het hoogtepunt van het jaar, 14 Nisan waar wij in herinnering nemen hoe  een mensenzoon zich bereid vond om zich over te geven aan Gods Wil, voor al die mensen die fout zijn gegaan. Met zijn bloed- en zoenoffer heeft hij hen allen vrij gekocht.

Zoals Jeremia in der tijd zijn medebroeders opriep om zich te verzoenen met God en naar Hem toe te gaan,worden wij vandaag nog steeds gevraagd om ons naar god te keren en Hem te aanzien als onze hemelse Vader, onder wiens huis wij willen wonen in een gemeenschap van broeders en zusters in Christus.

++

Lees ook ter voorbereiding

  1. Een verlichte Pesach
  2. Shabbat HaGadol ter voorbereiding van Pesach
Geplaatst in Christen zijn, Geschiedenis, Godsdienst, Jehovah, JHWH, Jawheh, Elohim God, Yahuwah, Levensvragen, Wereld | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Actief over de gehele wereld

Ook al zijn de Broeders in Christus niet erg gekend, noch onder deze Nederlandse naam, noch onder de internationale naam Christadelphians, zijn ze actief in zeer veel landen over de gehele wereld.

Al die mensen die zich vrijwillig inzetten voor het goed van de mensheid en samen ijveren voor een betere wereld, worden dikwijls over het hoofd gezien.

Opgaand naar het belangrijkste ogenblik van het jaar, 14 Nisan, in deze maanden van grote lenteschoonmaak, kan het geen kwaad ook eens aan die vrijwilligers te denken maar ook aan hun nood voor bepaalde goederen. Zo zouden dingen die u in huis tegen komt die u niet meer nodig heeft, wel praktisch en geliefd kunnen zijn  bij de mensen die de Broeders in vele arme streken trachten te helpen.

In veel landen kan men de klassieke kerken aantreffen die van uit hun gevestigde structuur werken. Veelal zijn hun geestelijken betaald door hun kerkhiërarchie. Veel van die kerkgangers treden echter niet zo ver naar buiten, waarbij verder afgelegen streken niet geholpen worden. De Broeders in Christus gaan dikwijls daar waar de bevolking wordt vergeten, zowel door de klassieke kerken maar ook door hun eigen leiders van het land. De nood is daar dikwijls hoog. Onze hulp van uit het westen is dan daar ook zeer welkom.

Kerken in meerdere arme landen mogen veelal zelfstandig zijn en leiders hebben die leiding geven op basis van eigen gezag. Slechts een klein deel behoort tot de gevestigde kerken, waar sprake is van een kerkelijke structuur met duidelijke richtlijnen. Ook kan men allerlei kruidendokters vinden die eveneens optreden als ‘geestelijke leider’ en aanspreker speelt voor hun vele goden. In zulke gebieden alsook gebieden war vele grotere kerken niet zijn geïnteresseerd zijn er vrijwilligers die stappen willen ondernemen om die mensen gezondheid op geestelijke en lichamelijk vlak te willen brengen. Dit vooral omdat wij als Broeders in Christus vinden dat een gezonde geest best kan komen uit een gezond lichaam.

Op alle vlakken willen wij hulp bieden zonder iets voor in de plaats te verlangen. Dat is ook dikwijls een groot verschil met de meer bekendere kerken, welke er in eerste instantie naar streven om ‘zieltjes te winnen’.  Wij willen ook wel mensen tot God brengen, maar dringen daarbij onze eigen gemeenschap niet zo op. Wij beseffen dat het God is die mensen roept, en willen wel het ‘voordoek’ van het podium optillen om hen de wegen naar God te tonen.

In eerste instantie willen wij mensen een beter leven bieden. Dat kan gedaan worden door ons te houden aan de Bergrede van Jezus. De vermoeiden en de belasten willen wij tonen dat Jezus de Weg is en dat wij daarbij helpers willen zijn om paden te bewandelen die tot beterschap kunnen leiden.

Onze diepste drijfveer is hulpverlenen aan hen die het nodig hebben. Daarnaast willen wij ons als werkinstrument voor God aanbieden en stellen daarbij de verkondiging van het evangelie en het koninkrijk van God voorop. Ook al weten velen dat niet, staan er over de gehele wereld Broeders en zusters  in Christus klaar om op allerlei wijzen zich in te zetten om mensen een beter leven te geven. Heel veel plekken in deze wereld krijgen dan ook regelmatig bezoek van broeders en zusters uit andere landen. Hierbij worden hulpgoederen mee in het land gebracht en worden mogelijkheden aangeboden om onderwijs te verzorgen in soms zeer afgelegen plekken.

Opgaand naar de belangrijkste gebeurtenis van het jaar, vragen wij onze lezers ook eens te denken aan die vele mensen die zich opofferen om dat nodige werk voor God te doen hier op aard. Meestal zijn het die vergeten zielen die zich actief willen opstellen in godvergeten landen. Soms kunnen het landen zijn waar de gezondheid wegens slechte gezondheidstoestanden in gevaar kan gebracht worden, maar ook soms door het plaatselijk oorlogsgeweld. Toch trachten en mogen wij die gevaarlijke gebieden niet vergeten. Zo ook mogen wij die vele vrijwilligers niet vergeten en moeten wij er ook eens aan denken om hen een hart onder de riem te steken en hen verder aan te moedigen en te steunen in hun nodige werk.

Denk er aan:


God gebruikt vissers, taxichauffeurs en koelkastmonteurs om Zijn koninkrijk te bouwen.
Vaak zijn dit mensen die vanuit menselijk oogpunt onbeduidend zijn,
omdat ze geen grote theologische werken achter hun naam hebben staan.
Met vallen en opstaan brengen zij Jezus’ boodschap de wereld over.


*

Lees verder: Vergeten predikers van het Goede Nieuws

Geplaatst in Aankondiging, Broeders, Christadelphian, Christen zijn, Christendom, Christenheid, Kerkopbouw, Levensvragen, Religie, Wereld | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

As brothers and sisters showing that you are followers of the real Jesus or being a Jeshuaist sharing responsibilities

In the world people have to make the choice if they want to follow the world with its many traditions or want to go for living according to God’s laws and provisions and following His son.

Jehovah is the God of gods Who wants to be praised and worshipped as the Only One True God. He has sent His son to the world so that the world could come closer to Him. That son of God is the son of man born in Bethlehem, who lived for a long time in the household of Joseph and Mary in Nazareth and who was called Jeshua ben Yosef and got better known as Jesus Christ.
This Nazarene man went out preaching and calling people to follow him. Adhering to a person or following a person his ideas and teachings, the name of that person is often taken with the ending “-ist”. As such a follower of Calvin is often called a Calvinist, the same as a follower of the doctrines of Marx is called a Marxist. The same a follower of Jesus, whose real name is Jeshua, can be called a Jeshuaist and the followers called belong to Jeshuaism.

In this world where lots of people say they are a Christian but do not really follow the teachings of the Christ nor worship the same God as Christ Jesus, because they worship a Trinity, a person following the real Christ could indicate he is a follower of Jesus, saying as a follower of the teachings of Jeshua that he or she is a Jeshuaist. By calling himself or herself a Jeshuaist there can exist no doubt that person worships the God of Christ and has not taken Jesus as their god.

Claiming to be a follower of Jeshua or indicating to be a Jeshuaist, the other people around him or her should come to see and hear that this Jeshuaist or follower of Jeshua follows the person Jeshua (Jesus) and his teachings.  All those who say to be followers of Jeshua  give the world a sign that they are following the real Jesus Christ who is the only begotten son of God and is not a god son or part of a Holy Trinity.

Together those Jeshuaists or followers of Jeshua as followers of the Nazarene Jesus Christ feel part of the Body of Christ which is offered to the world as a means to come closer to God. All the different groups of followers of Jeshua should recognise the importance of each member, like there are different elements and organs in a human body. Together they all should belong to one great family. As brothers and sisters they should unite, should be one with each other and one with Christ like Jesus is one with his Father.

Together they should form an ecclesia or with all those ecclesiae form ” The Church”, making a strong united spiritual family of believers. We should know that our relationship with God correlates in various ways with our relationships with one another. If you ignore the “one anothers” in the Bible, you won’t receive everything God wants to give you.

Imagine a child who ignores his siblings but wants to be close to his father. His relationship with his dad will be hindered by his disconnection from his brothers and sisters.

writes Tony Evans in his book Horizontal Jesus: How Our Relationships with Others Affect Our Experience with God.

God wants you to be a dynamic part of a local body of believers so you can position yourself to experience more of Him as you engage with others. When position yourself in the world it is necessary you take your position. As such it is important that you dare to show and say what you believe.  In case you always say that you are a Christian to avoid discussion about you not believing in the Trinity, you are hiding behind a false facade.  Those who call themselves a Jeshuaist show clearly that they do not want to hide in who they believe and declare openly that they go for the real Jesus, the Nazarene prophet and master teacher Jeshua, who is declared the son of God and who is not God Himself.

Daring to make clear that you believe Jesus Christ is the son of God and not God Himself is one of your responsibilities in the Body of Christ. The other responsibility is forming a close family.

The Church family is to be a place where those who are spiritually weak or sick can find help, hope, healing, and restoration in Christ’s name.

Brethren, even if anyone is caught in any trespass, you who are spiritual, restore such a one in a spirit of gentleness; each one looking to yourself, so that you too will not be tempted. Bear one another’s burdens, and thereby fulfill the law of Christ. — Galatians 6:1–2

The Greek word translated “restore” means to mend something that has been broken. It sometimes referred to mending a broken bone. The bone would be reset so it could grow back together and be restored to its original function. Or if a fisherman tore his net, he would restore it by mending the place that was torn.

The process of restoration doesn’t always feel good at the time, but it should produce a good result. Restoration is like braces on crooked teeth. They might hurt when the orthodontist tightens them or as the teeth shift into place. But ultimately, the restored smile will be worth the pain.

Before people can be restored, they must acknowledge that something has been broken or torn and needs to be mended. In the same way that people go to the hospital to regain their health, people who come to church ought to be able to find restoration for their broken lives. God uses us to mend one another according to our original design as much as possible.

As brother and sister following the real Jesus Christ, or Jeshua, you as a Jeshuaist or a Brother  or Sister in Christ or Christadelphian should show and share the peace of Christ and make that you too can be a healing part in his body.

++

Additional reading

  1. When believing in God’s existence and His son, possessing a divine legislation
  2. The Nazarene master teacher learning people how they should behave
  3. Genuine Christian behavior
  4. Brothers and sisters in Christ for you
  5. Do Christadelphians belong to Protestantism
  6. Difference between a Messianic Gentile, a Messianic Jew and a Christian
  7. Jews and Christians against Messianics and Jeshuaists
  8. Numbers 10:10 Make Your Rejoicing Heard
  9. Preach
Geplaatst in Being Christian, Christadelphian, Christendom, Christianity, Jehovah Yahweh God - English articles, Jesus Christ Jeshua Messiah, Religion, Trinity | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Een opgegeven taak

Er zijn doeners en passievelingen alsook afwachters of uitkijkers naar wat zal gaan gebeuren.  er zijn mensen die zich liefst in de schaduwzijde begeven terwijl anderen juist in het voetlicht willen treden.

In de ecclesia komt het er op aan dat iedereen samen werkt om één werkend geheel te maken. Ieder van ons heeft de serieuze taak gekregen om samen aan dat ‘lichaam van Christus’ te werken. Zoals men een een ​​personage moet opbouwen moet een geloofsgemeenschap vorm gegeven worden door de leden van die geloofsgemeenschap.

De leden van een geloofsgemeenschap moeten naar hun vergadering of bijeenkomst kijken als naar een project in wording. De tijd om dit project te volbrengen is niet aan ons om te kiezen; onze enige optie is nu. Maar hoe we bouwen en wat we bouwen, is onze verantwoordelijkheid.

Hoe kunnen we bouwen zodat onze structuur de tand des tijds en verval doorstaat?

Zoals de psalmist zei:

“Gelijk de wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondslag” (Spreuken 10:25).

Alle andere stof, substantie of kwaliteit komt tot een einde.

Voordat Jezus zijn preek op de berg afsloot, gaf hij zijn toehoorders – en ons – een heel directe les in bouwen (Mattheus 7: 24-27.)

“24 Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan men vergelijken met een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde. 25 De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij stortten zich op dat huis, maar het viel niet in, want het stond op gegrondvest op de rots. 26 Maar ieder die deze woorden van Mij hoort, doch er niet naar handelt, kan men vergelijken met een dwaas die zijn huis bouwde op het zand. 27 De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij beukten dat huis, zodat het volledig verwoest werd.’” (Mt 7:24-27 WV78)

Volgens onze leermeester geeft ons te kennen wat wij mogen verwachten als wij naar hem luisteren en naar zijn woorden handelen. Jezus vertelt ons ook hoe men bouwt en de materialen die men gebruikt een directe invloed hebben op de duurzaamheid van de structuur. In zijn parabel plaatst Hij iedereen die het woord des levens in een van de twee categorieën hoort: 1) wijze bouwers of 2) dwaze bouwers.
Degenen die het woord horen en oefenen wat ze horen, zijn als “een wijze” die “zijn huis op een rots bouwt”, het solide fundament van kennis en toepassing. Zo iemand stelt zich niet tevreden met luisteren. Hij gelooft echt. Hij heeft berouw. Hij houdt eigenlijk op kwaad te doen en leert goed te doen. Hij verafschuwt eigenlijk het kwaad en kleeft aan het goede. Hij is zowel een doener als een hoorder van het woord (Jakobus 1:22)

“ Weest uitvoerders van het woord, en niet alleen toehoorders; dan zoudt gij uzelf bedriegen.” (Jak 1:22 WV78)

Het is makkelijk om ons enkel als luisteraars op te stellen tijdens een bijeenkomst. Maar in de geloofsgemeenschap moeten wij meer zijn dan enkel een toehoorder. God verlangt meer van ons. God verlangt actie naar het geloof. geloof zonder werken is dood.

Wij mogen gerust weten dat er voor iedereen ook moeilijke tijden zullen zijn. In de tijd van beproeving faalt een geloof dat stevig gegrondvest is in gehoorzaamheid aan het woord van God niet. Laat de vloed van verdriet, teleurstelling, lijden en verlies, zelfs de toets van het laatste oordeel, op hem slaan: zijn geloof wankelt niet. Zijn basis is veilig. Zijn geloofsstructuur heeft hem misschien een hoge prijs gekost aan opoffering en discipline, maar het is nu de kosten waard.

Bouwers die geen echte doeners in het geloof zijn hebben het heel wat moeilijker. De andere bouwer, de man die hoort maar nooit verder komt dan het horen, zegt Jezus, is als “een dwaze man die zijn huis op zand bouwde.” Hij bevredigt zichzelf door te leren over het geloof, en keurt het mentaal goed, maar hij gaat niet verder. Hij troost zichzelf dat hij gevoelens, overtuigingen en verlangens heeft van een spirituele aard, maar hij breekt nooit zijn oude zonden af. Hij laat nooit de geest van de wereld los. Hij maakt nooit echt de hoop op Christus de zijne. Hij is een hoorder en niets meer.

Wij mogen er op aan dat ieder van ons zal worden getest op hoe goed of hoe slecht we hebben gebouwd. Ieder van ons is verantwoordelijk voor de structuur die hij opricht. Alleen dat wat uiterst goed is zal blijven. Daarom komt het er ook op aan dat eenieder goed na gaat welke materialen hij of zij wil gebruiken om iets op te bouwen.

Zoals degene die plannen tekent voor een woonst zal de bouwer voor een geloofsgemeenschap ook alleen het beste in gedachten moeten nemen, de beste acties, de beste gevoelens. Hij of zij moet ook op zoek gaan naar de hoogste kwaliteit, onverstoorbaar geduld, compromisloze integriteit, standvastig geloof, ongeveinsde liefde. Elk stuk moet bestaan ​​uit ‘alles wat waar is, wat er ook eervol is, wat rechtvaardig is, wat dan ook zuiver is, wat er ook is [wat ook aanbevelenswaardig is,’ alles van ‘voortreffelijkheid’, ‘iets dat lof verdient’ (Fil. 4:8). Hij wil die blijvende stenen met een oprecht doel, een doodse inspanning, een sterke vastberadenheid om goed te doen, op elkaar bouwen. Wanneer de inspecteur van het grote gebouw over onze structuur kijkt, zal hij zien of we iets onwaardigs hebben gebruikt, iets van een tweede orde, alles wat niet precies overeenstemt met Zijn specificaties. En als onze structuur niet overeenstemt met Zijn goedkeuring, zal deze worden veroordeeld.

Wanneer is de tijd om te bouwen?

Op dit moment is geen moment te snel.
Wij moeten er bewust van zijn dat dit gebouw niet het werk is van één dag, een week of een jaar. De onderneming vereist een totale toewijding van elk moment dat ons wordt toegewezen, een hoeveelheid onbekend en onkenbaar. Maar de onbekenden hoeven ons niet te schelen. Het is onze plicht om

“de tijd te vergelden, omdat de dagen slecht zijn” (Efeziërs 5: 15-16).

Met andere woorden, moeten wij nu elke kans grijpen en het naar het grootst mogelijke goed verwezenlijken.

Met elk contact, elke actie, elke gedachte, elk gevoel bouwen we ons karakter.

Wat is de vorm ervan? Is het volgens het patroon dat God heeft gegeven? Zal het de tand des tijds doorstaan? Zijn we aan het bouwen voor de eeuwigheid – of voor het moment?

Elke dag, elk uur dat we aan het bouwen zijn; zij het aan ons eigen karakter of aan onze geloofsgemeenschap, komt het er op aan dat wij de juiste materialen gebruiken.

Hoe bouwen we, jij en ik? Hoeveel van de interesses die onze eerste aandacht krijgen, zullen de test van de eeuwigheid doorstaan?

Dit is het moment om te bouwen. We hebben geen tijd te verliezen in secundair belang. We kiezen er op alle mogelijke manieren voor om het te meten, de tijd is kort – te kort voor enige overbodige interesse; te kort voor enige luiheid of zelfzuchtige winst.

De eerste christenen vonden dat hun tijd kort was; en inderdaad, het was niet langer dan de lengte van hun leven, misschien korter als ze werden gevangen in de greep van hevige vervolging.
Ook voor ons is de tijd kort, zo kort als de lengte van ons leven. Het is alleen de genade van God die ons verhindert te weten hoe kort onze tijd kan zijn.
Hoe eerder we ons dit ontnuchterende feit realiseren, des te eerder zullen we leren realistisch te leven, een rechtvaardig gevoel van verhoudingen houden over onze vreugde en verdriet en iedereen vertrouwen op de God van wie we komen en aan wie we rekenschap moeten afleggen.

Naar wij dichter tot de eindtijd komen wordt de dringendheid om aan ons zelf te werken en om samen een geloofsgemeenschap op te bouwen belangrijker. Met de dag wordt het dus belangrijker om een doener te worden en te zijn, van wie de wortels of grondvesten zuiver en stevig zijn.

Jezus wist maar al te duidelijk wat hem te doen stond en wat ons te doen staat. Hij maakte zijn omstaanders ook duidelijk wat de taak voor de mens is. Laten wij dus niet doof zijn voor wat hij zei en laten wij ook de woorden van zijn hemelse vader horen en ter harte nemen, om de nodige taken ten volle en ten goede te verrichten.

+

Voorgaande

Doeners in ecclesia noodzaak

Doeners en priesterschap

Doeners verdienen aandacht en erkenning

Relatie met God gaat twee kanten op

Geplaatst in Christen zijn, Jezus Christus, Jesus, Jeshua, Jahushua, Kerkopbouw | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen